Ornamenttaal


Het ornament sneuvelt in de koude oorlog die het doelmatige tegen de versiering voert. Met een sierlijk gebaar probeert het ornament nog te ontkomen, maar ze maakt geen kans tegen de alles plettende wals.
En dat is maar goed ook zullen velen zeggen.
Versiering leidt maar af van waar het om gaat, functionaliteit. Wat vergeten wordt is de betekenis van het betekenisloze, de charme van het overbodige, de zin van het zinloze.
Liefst wordt elke bocht om zeep gebracht, want de heilige weg van A naar B is rechtlijnig het snelst. Geen tijd te verliezen.
De gewonnen tijd kan dan gebruikt worden om?
Dit zou dan de vervulling zijn van de diepste menselijke wens. Omwegen laten de geest verdwalen in alle andere mogelijkheden dan B. Daar raakt een mens maar van in de war.
Het best kun je maar in A blijven, wel zo efficiënt.
Het idee dat je vanaf A naar elke plek zou kunnen…

De menselijke handschrift verdwijnt uit het maakproces.
Handelingen worden uitbesteed aan machines. Een mens raakt letterlijk onthand. Handelingsonbekwaam. Het laatste staaltje van doelmatigheid is dat machines machines bouwen zonder versiering.

Efficiëntie liquideert ijskoud het voortbestaan van: de zinloze krul, de overbodige arabesk, de onnodige garnering, het vergeefse rozet, de frivole guirlande, de nutteloze strik.
Zelfs de schoenveter moest het ontgelden, geen strikken meer, elastiek of klittenband.
Technocratie verschilt niet veel van een dictatuur, er is alleen geen dictator van vlees en bloed, het is een machine die zijn decreten oplegt.

De verbeelding is het belangrijkste ornament van de menselijke natuur. Het verhaal is een van de laatste ornamenten.
‘Verhalen vormen een sokkel voor ons wereldbeeld of voor de afwezigheid daarvan’. F. Wildesheim.

Huidig

In het losse zand van onze herinnering liggen gestaag vervagende sporen.
De levende ervaring van dit moment wist vergane gebeurtenissen met huidige belevenis.
Het heden als bezem.
We zien de huid van het huidige.
Een huid die altijd wel ergens jeukt.
Schrijven is krabben.
Het krabsel laat weer sporen na in de lezer,
het voorziet herinnering van nieuwe huid.

Materie is sediment, oneindige huidlagen van geleefde levens.
F. Wildesheim

Schaduwvlucht


Photo: Jelle Touw copyright 2017

De schaduw van de mens voelde zich veronachtzaamd.
Hoewel ze haar verenkleed keurig verzorgde en jaar in jaar uit dienstbaar elke beweging van het mensenlichaam volgde werd ze genegeerd als een voetveeg. Op klaarlicht dag gebeurde het. De schaduw zag haar kans schoon. Ze wilde een eigen leven leiden, ver weg van de mens.
Ze balde zich samen tot een donker ei, trok zich los onder de voeten waaronder ze zich ooit genesteld had en vloog met een ruk weg. Even wankelde de mens en zag de vlucht van zijn eigen schaduw richting horizon. Hij bleef haar lang nakijken in de verwachting dat ze terug zou keren? De schaduw verdween uit zicht. Nu kon de mens nergens meer schuilen. Alles zou nu aan het licht komen.

Planeet Lapis

Yves Klein was een psychonaut die de planeet Lapis Lazuli aan het geestelijk firmament ontdekte. Hieronder ziet u de
foto van het hemellichaam genomen door het fotografisch geheugen van Yves zelf, de foto is geschilderd.
Resten van kraters sieren de huid van deze blauwe planeet.
Het is zonder meer de verdienste van Klein dat hij Lapis op de kaart van het geestelijk universum zette. Iets minder sympathiek is dat hij die kleur claimde en het pigment liet vastleggen in patenten.
Amerika claimde ooit de maan door er een vlag in te planten en verkoopt daar nu percelen van aan haar onderdanen.
We kunnen alleen maar hopen dat Klein dit als ironisch commentaar bedoelde op die absurde neiging om alles maar toe toe te eigenen.
Yves Klein wilde ‘kosmische gevoeligheid’ in materie uitdrukken. Het blauw maakt inderdaad iets los.
Het maakt de geest los van het lichaam.
Hoe kon hij over het hoofd zien dat hij zelf die kosmische gevoeligheid was en is, zijn ‘eigen’ kosmische bewuste aanwezigheid?
Het lichaam is aards, maar het bewustzijn is kosmisch,
niet gebonden aan plaats of tijd.

Detective


Het blijft voor mij de meest curieuze detective:
De detective is op zoek naar de ultieme dader.
Hij vooronderstelt dat het een mens moet zijn, een man.
Saillant detail: de verdachte is baarddragend..!
De volgende aanname is dat de dader met voorbedachte rade heeft gehandeld.
Na eindeloos speurwerk lukt het niet om zelfs maar sporen van het slachtoffer of van de dader te vinden.
In plaats van te overwegen dat er wellicht wel helemaal geen dader in de vorm van een bebaard mensenlichaam is geweest concludeert de detective dat de dader dood is.
Een hoogst curieuze conclusie omdat er in de verste verte geen lijk te bespeuren is.
Als toeschouwer vraag je je af welke misdaad er is begaan?
Het verbijsterende antwoord luidt; ‘Welke misdaad eigenlijk niet?’.
De absente verdachte heeft kennelijk alles op zijn geweten, goede daden incluis. Het draait hier namelijk om het concept God.
Deze beroemde detective staat op naam van Friedrich Nietszche, ‘what’s in a name?’.
De goddelijke leegte nodigt kennelijk uit tot de meest urgente menselijke projecties. In het sterven van die projecties openbaart zich iets…

Na dit staaltje van suspense heeft geen enkele detective mij nog kunnen boeien. Hier zit alles in. Een tunnelvisie van valse aannames.
Er is geen misdaad gepleegd, er is geen slachtoffer gevonden. Er is nooit een dader geweest in de vorm van een man met een baard. Allemaal waandenkbeelden in het hoofd van de detective. Hoe kan een dader die er nooit is geweest dood gaan? Het enige echte slachtoffer is natuurlijk Nietszche zelf.
Helaas was Nietszche blind voor het bewustzijn dat vooraf gaat aan de goddelijke leegte. Ook leegte bestaat pas op het moment dat het bewust wordt ervaren. Dichterbij de oorsprong kun je niet komen.
Of zoals F. Wildesheim stelt;
‘Het zijn is onbereikbaar, want dat ben je.
Met elke toenaderingspoging beweeg je je van het zijn af!’

Eenmalige traditie


We reden langs het Sportfondsenbad in Rotterdam. Waarom weet ik niet maar zomaar kwam de herinnering bovendrijven dat wij voor het eerst en laatst kerst vierden in Saarloos bij ome Cor en Tante Barend. Die keren daarvoor waren we te arm geweest om het te vieren, deze keer niet.
Mijn oom Gees die opeens tijdelijk bij Tante Barend inwoonde had het bundeltje bankbiljetten gevonden, van de buurman aan wie hij een pestpokkehekel had, wat stonk die vent!
Oom Gees loste liever bananenbootjes in de Haven, dat rook tenminste naar het paradijs.
Waar hij het had gevonden wilde hij niet kwijt. Op mijn vraag of hij hem niet terug zou geven legde mijn oom uit dat hij hem, mondje dicht, geld zou geven om een nieuwe portomonnee te kopen. Vader lachte ingehouden om Ome Gees, alsof hij bang voor hem was. Buurman Vreeswijk handelde in vis op de markt en verzamelde vuile bankbiljetten met een elastiekje erom. Volgens een hardnekkig gerucht piste hij op het eind van de markt wel eens over de ouwe vis om zijn handel wat op te frissen.
‘Zwart geld’, had mijn jaloerse en tandeloze tante Barend vaak gesist als ze hem begluurde vanachter het valige keukengordijn. Nu zag ze de visbuurman vloekend zoeken naar iets…’krijg nou de touwtyfustering!’
Ome Gees had overhaast boodschappen gedaan, te veel goedkope drank en een veel te grote kerstboom met sjieke ballen. Hun kleine woning rook nog jaren naar dennenwoud , de hele gang lag vol naalden. Tante Barend werd uitzinnig toen oom Gees het geld op tafel liet rollen. Ze ging meteen arbeidersgebak en koffie halen om het te vieren.
Even later zaten we in een kring rond de te grote kerstboom met een dikke plak ontbijtkoek.
Bij wijze van kerstdiner zouden we uit eten gaan, de eerste keer bij de chinees, voor het eerst ieder een eigen loempia. Ome Gees werd zo dronken van de framboos-bessenwijn dat hij later die avond in de kerstboom was geklommen. Hij had naar eigen zegge de top willen bereiken, liggend tussen de glinsterende scherven van de kerstversiering.
De volgende ochtend was al het geld zoek. Iedereen verdacht elkaar van verduistering. Het was de eerste en laatste kerst met deze zijtak van de familie. Daarna vierden we liever apart van elkaar kerst, ieder op zijn eigen traditionele wijze.

Er zat zoveel chloor in dat Sportfondsenbad dat het in je ogen beet, daarom wilde ik er nooit duiken. Later hoorde je zeggen dat er zoveel in gepist werd dat het bad ervan overliep. ‘Ach!’ , verklaarde ome Cor opgewekt; ‘de hele zee is toch vissepis!’

Familiebezoek


Ik had mijn familie al lang niet meer gezien. Gisteren zag ik ze weer in de ogen. Ze waren met stomheid geslagen toen ze mij tussen het publiek zagen rondscharrelen na zo’n lange tijd.
Ze zeiden niets, ze slaakten enkel machteloze kreten.
Wat moesten ze ook zeggen als ze zouden kunnen spreken?
Ook ik verloor mijn stem door een acute droefheid die mij in bezit nam.
Zelf woon ik in een luxe mensenpark, goed beveiligd tegen minderbedeelden, dat wel. Mijn familie leeft in detentie, in een staatsgevangenis. Voederen mag ik ze niet.
Ze leven onder streng regime. Ze staan onder curatele op kaal beton in hun eigen uitwerpselen.
Zonder uitzondering zijn ze tot levenslang veroordeeld.
Hoe die rechtszaak ooit is verlopen is zeer vaag en duister.
Het is nu eenmaal zo, zegt men. Op grond van welke misdaad ze zijn veroordeeld is mij onbekend. De schuld is kennelijk erfelijk want de nazaten zitten dezelfde straf uit. Er lijkt sprake van erfzonde. Een misdaad die niet verjaart moet wel onvergeeflijk zijn.
Het is bedroevend om mijn familie zo te zien.
Ik begrijp niet wat mijn verdienste is dat ik niet net als hen gevangen ben gezet. Hoe ben ik ooit de dans ontsprongen? Die vraag houdt mij blijvend bezig. Ik voel mij plaatsvervangend schuldig dat ik vrij rondloop door het mensenpark.
Niemand kan mij antwoord geven.
Voor sommige vragen is ‘het onverklaarbare’ het enige onbevredigende antwoord.

Er zijn tal van tekenen dat ook het mensenpark als gevangenis wordt ingericht, maar dan electronisch, met een enkelband, een geïmplanteerde chip, afluisterapparatuur en veel camera’s.
De robot zal onze cipier zijn.
De technologische mens is niets anders dan een wraakzuchtige god.
Een oudtestamentische robogod.

Gewauwel


Ik heb een hele fijne tandarts. Zijn naam noem ik niet want hij is erg gesteld op anonimiteit.
We hebben samen een hele intieme band. Als hij met zijn handen in mijn mond zit stelt hij mij vragen die ik met wat onverstaanbaar gewauwel beantwoord.
Uit mijn gewauwel stelt hij weer vragen samen die ik nooit zou durven stellen.
Ongevraagd geeft hij uitgebreid antwoord…over zijn boot, zijn kleinkinderen..over zijn teloor gegane passie voor beeldhouwen.
Gisteren vertelde hij tot mijn ontzetting dat hij met pensioen gaat.
‘Waverschikuluk, dameejenie..!’ ,wauwelt mijn overvolle mond.
‘Ach, er zijn zoveel tandartsen op de wereld’, zegt hij laconiek.
‘Kawelzijn, maa i wil alleen jou hande in mij mond’.
‘Auw, je bijt me’ , lacht hij, terwijl hij mijn tandhalzen polijst,
‘Ik stuur je nog wel een uitnodiging voor mijn afscheid in sporthal Zuid, spoelen maar even!’
‘Wat een hele sporthal?…ga je van al je patiënten afscheid nemen?’ vraag ik verbaasd.
‘Ja, natuurlijk, ik wil wel terug kijken op mijn levenswerk’
‘Je gaat ze zeker stuk voor stuk in de mond kijken?’
‘Nee, natuurlijk niet gekko, maar ik heb met ieder op zich wel een speciale band.
Ik zie ze echt als vrienden bij wie ik mijn verhaal kwijt kon….stuk voor stuk hebben ze een warm luisterend oor…zou je trouwens niet eens overwegen om een beugel te nemen?
‘Een beugel?, man, ik ben over de vijftig….en daar kom je nu mee?’
‘Okay, dus je wilt die scheve tanden houden?’ , zegt hij met een grijns.
‘Natuurlijk, ik ben erg gesteld op die scheefte, wat natuurlijk is is meestal scheef!’

‘Wat ga je doen als je pensioen krijgt, beeldhouwen?’.
‘Nee, ik ga als als vrijwilliger werken bij de dierentuintandarts, dus als je wilt kan ik je daar nog behandelen!’
‘Waarom ook niet, dieren onder mekaar toch…en jij kunt je verhaal nog eens ergens kwijt!’.