Haarval


Mijn lichaam loopt meer dan een halve eeuw rond. Mijn hoofdhaar is slechts vijf keer bij een kapper geweest. Hoewel het voor niemand interessant is noch van belang vertel ik het. Je weet van te voren nooit wat een verhaal wil zeggen.
Twee keer werd ik als jonge jongen naar de herenkapper gestuurd die mij beide keren met zijn electrische tondeuse tot bloedens toe in mijn oorlel schoor.
Met een verbandgaasje tegen mijn oor gedrukt kwam ik thuis. Tegen de tijd dat ik weer langharig werd weigerde ik om mij nog een derde keer te laten mishandelen.
Geen probleem, mijn vader kende een klant die huiskapper was, een mannetje dat aan huis mijn haartjes kwam knippen, onder toezicht dus. Dan kon hij ook meteen moeders permanent permanenten zodat ze sprekend op Juliana bleef lijken.
De huiskapper kwam twee keer per jaar bij ons thuis. In de keuken knipte hij ons stuk voor stuk, onderhand vertelde hij geanimeerd sterke verhalen.
Hij kletste de oren van je hoofd.
Ons geknipte haar nam hij mee naar huis, naar zijn zeggen om er toupetten of pruiken van te maken voor arme mensen die kaal waren. Hij zou twee keer per jaar op gezette tijden bij ons langs komen. Het jaar daarop kwam hij echter niet op de vastgestelde datum. Omdat hij geen telefoon had werden mijn oudere broer en ik naar zijn huis gestuurd voor een knipbeurt. Naïef belden we aan.
De voordeur werd open gedaan door een bedrukt uitziende man die ons veelbetekenend toeknikte, zijn wijsvinger op zijn lippen legde en ons meteen naar binnen leidde. In de huiskamer lag de huiskapper vredig opgebaard. Plotseling overleden. Ik herkende hem eerst niet want zijn hoofd was helemaal kaal.
We vernamen dat hij altijd een pruikje had gedragen omdat hij vond dat een kale kapper ongeloofwaardig zou overkomen. We condoleerden de weduwe met haar verlies.
‘Als hij thuis kwam van knippen deed hij meteen zijn pruikje af’, mijmerde zijn vrouw vertederd, ‘dat gaf zo’n heerlijk luchtig gevoel…’.
We wisten niet waar we moesten kijken, ook de grond bood geen uitweg.
De weduwe verontschuldigde zich dat hij ons nu niet kon knippen, nooit meer…
Het bezoek was vervreemdend. Ongeknipt en verslagen kwamen wij thuis.
Moeder was geschokt, hoe moest het nu verder met haar permanent?
Ik dacht aan het hoofd van de kapper hoe luchtig dat nu was…voor altijd.

Sindsdien ben ik door velen geknipt, maar nooit meer door gediplomeerde kappers.
De knippers beweren allemaal dat ik makkelijk haar heb:
‘Valt altijd goed wat je ook doet!’
Helaas had moeder permanent moeilijk haar.
Wat zo’n onnozel verhaal wil zeggen weet ik nog niet. Wellicht dank ik mijn voorkeur voor sterke verhalen aan onze thuiskapper.

Soms


Mijn eerste waarneming van het fenomeen deed ik als kind wachtend bij een bushalte.
Het was winters. Er stond een man in het bushokje, verwoed zuigend aan een wit stokje. Uit zijn mond kwam damp, maar dat was bij meer mensen het geval in de winter.
Plots kreeg hij een nare hoestbui, terwijl hij grijze wolken uitasemde…
Hij zoog gestaag verder.
Niet lang daarna spoog hij geconcentreerd tussen zijn voeten op de grond alsof er een ondraaglijk vieze smaak in zijn mond bleef hangen. Herhaaldelijk schraapte hij daarbij zijn keel.
Onderwijl leek het stokje weg te smelten, er viel grijs stof op de grond.
Het was onsmakelijk om te zien en toch kon ik er niet niet naar kijken, misschien wel omdat de man het zuigen zo hartstochtelijk beoefende, alsof zijn leven ervan afhing.
Nogmaals klonk dof gekuch. Begon hij snel weer te zuigen om het kuchen tegen te gaan?
Het stokje werd zuigenderwijs steeds kleiner tot hij het nauwelijks nog kon vast vasthouden.
Uiteindelijk gooide hij het overblijfsel op de grond en trapte er wrijvend op tot er slechts een vuile plek op de trottoirtegel overbleef van het ooit zo maagdelijk witte stokje. De bus kwam nog steeds niet.
Uit een gekleurd doosje trommelde de man een nieuw wit staafje tevoorschijn.
Schichtig keek hij om zich heen onrustig op zijn zakken kloppend.
Er was niemand op straat…tot hij mij ontwaarde bij het dienstregelingpaaltje.
‘Heb jij soms een vuurtje voor mij?’ ,vroeg hij schor.
Ik begreep niet waar hij het over had…alleen het woordje soms bleef in mijn hoofd hangen. Soms…soms…?
De stokzuiger droop af en verliet de bushalte…

Stokzuigen dreigt voorgoed te verdwijnen in het openbare domein.
Het is een bedreigde culturele uiting. Inderdaad, ook ongewenste gewoonten moeten als cultuur worden beschouwd. Zonder het ongewenste weten we immers niet meer wat wenselijk is. In goede oude tijden kon je op televisie, in de schoolklas of in het parlement autoriteiten volop en trots aan witte stokjes zien zuigen.
Het is nooit te laat om te beginnen.
Nu zuig ik zelf eens in de zoveel jaar uit solidariteit aan een stokje…soms…als het jaar van getal wisselt, voor de grap…dan moet ik lachen omdat ik het zelf niet snap waarom.

‘Dankzij vergeefse pogingen om het onbegrijpelijke te begrijpen dringt men dieper door in het mysterie’, aldus F. Wildesheim.

Wensenberger

Wensen zijn bergbeklimmers…ik kan daar als berggems over meepraten…
Er verongelukken er nogal wat onderweg. Wensen die sneuvelen op weg naar de top.
Ik berg hun onstoffelijke overschotten, mooie, dooie herinneringen voor de dromers in het dal. Hoe ik ze berg?
Hun ijle staat slaat neer op het korstmos, zo berg ik ze in mijn ingewand.
Wensen worden vaak onvoorbereid, ongeoefend tegen de steile bergwanden opgestuurd, zonder proviand.
Die dromers in het dal zijn risicoloos roekeloos, hun dierbaarste wensen moeten het met de dood bekopen.
‘Kijk maar hoe die gemsen zich redden, zonder bagage’ , moedigen de dalblijvers aan.
In werkelijkheid streven wij berggemsen nooit naar één of andere onvruchtbare top.
Wij blijven halverwege rondhangen, daar waar nog iets eetbaars groeit, net boven de boomgrens. Het is een wonder dat een enkele wens nog wel eens de top bereikt.

Toppen worden schromelijk overschat.
Wij gemsen hebben het beste van beide werelden, het middengebied.
Velen zullen de top roemen vanwege het uitzicht.
Maar welk uitzicht dan ook het overtreft nooit het inzicht van de gems, die rotsvast op het gezicht van de bergwand staat.

Lichtwereld


De wereld is een verhaal geschreven met licht.
Geen verhaal in taal, maar een fysiek tastbaar verhaal.
Een hoofdstuk van dit alomvattende verhaal is genoemd naar Darwin, het vleesgeworden verhaal van evolutie.
Iedere levensvorm daarin is een letter, een lettergreep of een woord dat naadloos het
verhaal belichaamt in levende lijve.
Dit verhaal is geen abstractie maar een onvermijdelijke directe ervaring.
Ieder wezen vormt een onmisbare schakel in deze opsomming der delen.
Samen meer dan het geheel.
Dit kun je niet lezen, je kunt het alleen maar leven.

Wat is materie anders dan gestold licht, gevangen in een circulair patroon.
Materie is de enige manier voor het licht om ergens gelokaliseerd te zijn.
Om uit te rusten van de lichtsnelheid. Gekluisterde lichtenergie.
‘Brandstof zijt gij en als brandstof zult gij wederkeren’,

Licht schrijft fysieke geschiedenis, eindeloze variaties van verschijningsvormen zien het licht. Leven heeft geen enkele zin, maar heeft ontelbare zinnen in dit lichtzinnige verhaal. De directe zintuiglijke ervaring licht ons in over alle zinnen van het leven.
Mysterieus dat er geen schrijver is, er is alleen lichtschrift.
Licht schrijft zich, met zich, als zich…lichtwerelden.

Ektorp


Na mijn gevlucht uit Irak leef ik illegaal hier. Bagdad, ‘moederstad van alle steden’ was platgegooid van geweld. Op mijn vlucht leerde ik om onzichtbaar te zijn.
Knap camouflagegedrag, zegt therapeut van Eva. Nooit zat ik in asielcentrum.
Geen procedure voor illegalen.
Ik liet mij dag één opsluiten in Ikea…of nee…insluiten. De beveiligingscensors leerde ik kennen en ontwijken. Ik ken ze van het mooie hotel in Bagdad waar ik werkte.
Overdag had ik niets, zwierf ik wat door steden, ‘snachts had ik alles wat ik nooit kon kopen, een luxe leven. Dan eet ik in het restaurant heerlijk de resten, Gravad Lax met Zweeds appeltaart. Meestal verstopte ik mij voor sluitingstijd onder lattenbodem van de Hemnes bedbank. Daar las ik manuals met veel talen…verhalen van dingen.
Het ging lang goed tot mijn vrouw mij betrapte. Mijn vrouw was van beveiligingsdienst.
Beveiliging waren cipiers van de luxe Ikea-gevangenis. Overdag knikte ik dankbaar naar ze.
Zij vond mij midden in de nacht tussen de hangende tapijten met mijn zaklantaarn.
Ze sloeg geen alarm, de schat…
Ze vroeg of ik het wel kon vinden…alsof ik verdwaalde klant was…hoe ik heette…
Ik zei: Noem mij Ektorp…. het is de bank waar ik heerlijk op slaap.
Zij moest lachen. Ik was bang voor haar uniform zei ik, ze deed het uit en stelde mij gerust. Het is een wonderlijk verhaal deze nacht uit mijn duizend-en-één nachten in Ikea. Na een week werden wij betrapt door haar collega. Ze moest ontslagen weg.
Eva nam mij mee naar haar huis, het stond daar vol met Ikea, ik voel mij thuis zei ik…
Ze zei:’Je mag hier blijven zonder vergunning!’
Ik heb geluk gehad…van Eva.
Mijn Nederlands taal is nog niet goed, ik leerde gebruiksaanwijzingentaal van Ikeaproducten lezen. Nederlands is ordelijke taal, stapsgewijs leer ik mijn leven in elkaar zetten, woord voor woord. Soms hou ik schroefjes over, geef niks.
Ik hou van dit land…ook al begrijp ik niet…daarom!
Soms gaan we nog naar Ikea…om te vieren.

Vreemd gevlieg

‘Schele ogen zien wel dubbel zoveel maar niet beter’, zeiden ze in Sliedrecht, althans
daar hoorde ik deze ‘volkse wijsheid’ voor het eerst.
Tante Hetty was daar woonachtig. Ze loensde nogal. Haar man Wijnaldus
zoog bagger…ik bedoel natuurlijk dat hij werkte in de baggerindustrie.
Hij werd later schathemeltje rijk van bagger, weliswaar niet in Slie maar in Suez.
Van Tante Hetty werd gezegd dat ze ze zag vliegen, achter haar rug. Ik bedoel uiteraard niet dat er zaken achter haar rug vlogen, maar dat er over haar geroddeld werd, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Ik had altijd met tante Hetty te doen wanneer er kwade tongen spraken. Ze zag regelmatig dingen die er volgens anderen niet waren. De macht van de blinde meerderheid.
Ik voelde mij verwant, hoewel ze niet echt mijn tante was. Ook ik zag vaak dingen die niet door anderen werden waargenomen. Het weinige dat ze ooit tegen mij zei was :
‘Je kunt pas echt leren zien met je ogen dicht!’.
Het klonk onheilspellend omdat ze het in mijn oor fluisterde in een kamer vol visite. Het schiep een onverbreekbare band. Daarna keken we veelbetekenend naar elkaar.
Wat voor dingen dan? Dingen, astrale excursies, te toevallige samenlopen, te onwaarschijnlijke gebeurtenissen die ik niet kon thuisbrengen. Ze zouden mij zien aankomen thuis met mijn buitenzintuiglijke waarnemingen. Ik keek wel uit om deze ervaringen met mijn familie te delen. Ik wilde niet hetzelfde lot ondergaan als Tante en daarom trof mij hetzelfde lot. Er niet over spreken veroorzaakt namelijk dezelfde isolatie en uitsluiting als er vrijmoedig over zijn. Tante Hetty was vrij moedig.

Ze zag veel en vaak ufo’s, prachtig ronde lichtgevende symbolen. Carl Gustav Jung duidde deze waarnemingen ooit als ‘het intense verlangen naar goddelijke eenheid’,
zo las ik later. Verlangens kunnen kennelijk zo branden dat ze licht geven in de hemel.
Ik vind dat nog steeds een plausibele optie, dat de sterren helder brandende verlangens zijn.
In wezen is de hemel niets anders is dan een uitbreiding van de belevingsruimte buiten je schedel. Het vreemde is mij vertrouwd, dagelijkse kost.
Natuurlijk praat ik hier met niemand over, dat ik ze zie vliegen. Ik kijk wel link uit.
Wanneer ik naar de hemel kijk zie ik tante Slie oplichten, als een knipoog.
Dan hoor ik haar zeggen:
‘Het draait allemaal om het licht, de rest is bagger!’

Cognitieve dissonantie


Tegen beter weten in doorgaan met iets wat schadelijk is heet met een mooie term ‘cognitieve dissonantie’. Zou het niet beter ‘irreële pretentie’ kunnen heten?
Het lijkt gebaseerd op aanname dat de mens een rationeel wezen zou zijn en op het wensdenken dat een berekenend mens het meest wenselijk is, een vals ideaal.
Overigens niets ten nadele van het ideaal, idealen zijn van nature vals.
Vandaar dat geen mens daaraan kan voldoen.
Het is een feit dat er tal van wetenschappelijk bewezen inzichten zijn die nooit worden toegepast in de levende praktijk. Meestal omdat het geld kost, maar ook omdat men denkt dat het meer geld kost, zelfs terwijl veldonderzoek aantoonde dat dit niet het geval is en dat het zelfs bezuiniging geeft. Één zo’n voorbeeld is het basisinkomen
Zo bezien is de diagnose cognitieve dissonantie maatschappelijk ook zelf weer een cognitieve dissonantie omdat er tegen beter weten in niets mee gedaan wordt.
Het vereist risico om het in de praktijk door te voeren. Bewust risico’s nemen is niet rationeel, dit vraagt om vertrouwen en daar de ratio niet goed in. De ratio is georganiseerd wantrouwen, gebaseerd op angst. Hoeveel onderzoek ook aantoont dat vertrouwen veel effectiever is dan angst lijkt geen impact te hebben. De rationele conditionering maakt zich zo sterk, ze bewapent zich tegen de ‘aanvallen’ van het vertrouwen.

De wapenlobby blijft geloven dat meer wapens de wereld veiliger zullen maken, zo werkt de ratio, berekenend, het levert meer geld op.

‘Waar idealen, zelfbeelden en wereldbeelden instorten daar verrijst een nieuwe belevingswereld gebaseerd op directe levende ervaring’

F. Wildesheim, dagboekfragment uit:’Nalatig Heden’,

Kapoen


Begin oktober was de aantocht van heiligman Kapoen al goed begonnen.
Het merchandise-assortiment lag al ruimschoots in de buurtsupers.
De geneutraliseerde knecht had inmiddels gelukkig helemaal geen kleur meer.
Toch gaf de functieomschrijving nog aanstoot, knecht blijft toch een vernederende term voor een dienstbare werkkracht, een denigrerend residu uit een paternalistisch tijdperk. Men zocht naarstig naar alternatieven:
Neutrale dienstverlener…niet nader omschreven werknemer…waardevrije hulpkracht…
gewaardeerde collega…kadobezorger… Het bekt allemaal niet echt lekker.
Daarom is gekozen voor ‘pakketdistributeur’, handig, want het hele jaar bruikbaar.
Vanuit streng orthodoxe atheïstisch kringen is trouwens ook al geageerd tegen de term ‘heiligman’. Niet onterecht overigens want niets is meer heilig voor de huidige tijdgeest dan het ontheiligen zelf. Een meerderheid heeft inmiddels al geopteerd voor ‘Kindervriend Kapoen’. De term ‘Gutmensch’ kwam helaas niet door de ballotage.
De achterhaalde klederdracht zal worden vervangen door standaard Hiphop-dracht zodat jeugdigen zich beter kunnen identificeren. Het feest is begonnen.

Typen


‘Wat een geinige typemachine is dat joh, gozer…wor je secretaresse soms…net als tante Sjaan?’ , zei ome Bart uit Saarloos terwijl hij voorzichtig met zijn kolenschoppen op de toetsen pookte . Het was een hele toer geweest om een piano het ouderlijk huis binnen te smokkelen, met veel gezeur. Voornaamste tegenargument van moeder was:
‘Maar dat is toch niet voor ons soort mensen weggelegd!’
Oom bleef doortypen, iets van een opera…?
Tante Sjaan zei, ‘Laat Bart maar lullen hoor…weet ie veel…Ome Bart zit wel op de grote vaart , jonge, maar zwemme kan die niet…toch Bart?’
Ik keek met grote ogen op naar die beul van een kerel.
‘Maar ik ken wel watertrappelen als de beste!’, zei oom terwijl hij doortypte…
‘Hij mot trouwens wel gestemp worde…hij is zo vals als een ouwe kraai!’.
De rijnaak van Bart en Sjaan lag in de Maashaven en heette
‘O Sole Mio’, ze wilden graag naar de operette-vereniging maar ze waren nooit lang genoeg in de stad.
Ik vroeg mij sindsdien mij altijd af wat voor mensensoort wij dan wel waren, gedoemd om zonder piano door het leven te moeten?