Voortplantage


‘Als Rita heet wordt, wil Orson Welles’ ,zei mijn vader eens op een onbewaakt ogenblik.
Niet voor kinderoren bedoeld…’Wie is Rita?’,vroeg ik.
Pas later begreep ik dat Rita Hayworth een begeerlijke filmster was.
Toen ik het kauwgumplaatje van haar zag vond ik het maar een saaie tante.
Het was mijn vader’s enige en onvergetelijke bijdrage aan het raadsel van de
geslachtelijke voortplanting.
Voorlichting was in onze familie een soort van denksport voor gevorderden, driedubbelzinnigheden ontwarren, raadsels oplossen, geheime codes ontcijferen…
Terwijl in ons huis toch veel voortplanting plaats vond, door planten wel te verstaan.
Het was als het ware één groene orgie van naaktplanten
Is het niet wonderlijk dat bij bloemen de voortplantingsorganen schaamteloos bewonderd mogen worden, in tegenstelling tot de menselijke organen die een geheim bestaan moeten leiden. De menselijke stampers en meeldraden zijn de kluizenaars onder de lichaamsdelen, ze dienen te worden verbloemd.

Het domesticeren van wilde planten tot kamerplant heeft mij altijd verwonderd. Waarom moesten die groenlingen in een gemeubileerde kamerwoestijn gaan leven?
Het verbaasde mij, vooral omdat de planten mijn moeder louter kopzorgen bezorgden…of ze verpieterden of ze werden verzopen….en bloemen geven ho maar.
Zorgenkindjes waren het, stuk voor stuk.
Ik dacht altijd: laat die planten toch lekker buiten spelen, in de regen, onder de zon.
De Christusdoorn was wel het grootste zorgenkind voor mijn moeder…om hem aan het bloeien te krijgen. Het was een zeer traaggroeiende doornenkroon waar bloedrode bloemetjes aan moesten komen. In mijn herinnering heeft haar Christusdoorn nooit gebloeid. Ik brak er wel eens een doorn van af en zag dan tot mijn verbijstering dat het bloed van Christus spierwit was, de onschuld zelve…
Onbevlekt ontvangen, zo heette de goddelijke voortplanting.
Zelfs onze vader in de hemel was niet bij machte om correcte voorlichting geven aan zijn eniggeboren zoon.

‘Sommige religies bezitten het perverse vermogen om het mooiste smerig te maken (natuurlijke sexualiteit) en het smerigste tot ware schoonheid te verheffen (de kruisiging van de onschuld)’

F. Wildesheim, uit ‘Onzintuiglijke Waannemingen’

De kamer van Kafka

Photo:Jelle Touw © 2017

Ik woonde ooit in Bilthoven aan zee. Geen woelige baren daar, maar stilstaand water. Achteraf had ik beter kunnen aanmonsteren op een schip, richting Overzeese Gebiedsdelen, zoiets… Ik had alleen net mijn zwemdiploma’s verscheurd.

De bosrijke omgeving trok me na jaren zwaveldamp snuiven in Pernis.
In de kustplaats de Bilt streek ik neer op zoek naar woonruimte. Gelukkig waren er talloze huisjesmelkers die studentenkamertjes verhuurden. Je mocht blij zijn als je er tussen kwam. De huren voor een schimmelig binnenkamertje waren huizenhoog evenals de woningnood. Bij elke bezichtiging kwamen zeker twaalf wanhopige studenten. Als je aan de beurt was moest je onmiddellijk beslissen anders kon je terug de straat op. Zo ‘kreeg’ ik voor vierhonderdvijftig gulden ‘Een kamer met raam’.
Zo stond het in de advertentie. A room with a view.
Het raam intrigeerde mij nog voor ik het gezien had. Waarom was zoiets het vermelden waard? Had niet iedere kamer een raam?
Het werd snel duidelijk: het raam gaf uitzicht op een blinde binnenmuur.
‘Het kan alleen niet open’, lichtte de kamermelker toe, ‘en contant betalen graag!’

Ik trok erin, het was slechts een slaapplaats. Het deerde mij niet, het bos zou mijn leefruimte worden.
Echter, het raam met uitzicht keek mij de hele tijd aan wanneer ik in de kamer verbleef.
Alsof ‘iemand’ mij in elke beweging observeerde. Ik besloot er een gordijn voor te hangen, dat zou het raam buitensluiten. Helaas werkte het niet zo…ik meende schaduwen door het gordijn heen te zien en kon mij dan niet bedwingen achter het gordijn te gluren. Onverbiddelijk staarde de blinde muur mij aan, de muur keek door mij heen. De kamer benauwde mij. Waartoe diende dat raam, welke ruimte zat daar achter? Wie of wat woonde daar?
Wanneer ik met moeite in slaap viel droomde ik dat het uitzicht mij vertelde wat ze in mijn kamer gezien had. Geschiedenissen van een kamer.
‘De kamer van Kafka’ , spookte het door mijn hoofd tijdens lange boswandelingen.
Had Kafka niet zo’n verhaal geschreven?

Ik had veel uitzichten gezien…mij verloren in verre einders…eindeloze panorama’s bewonderd…maar nooit hadden ze teruggekeken en mij zo dwingend aangestaard.
Blinden kunnen ook zo door je heen kijken, herinnerde ik van mijn blinde leraar die ik wel eens naar de tram bracht. Hoe heette die man ook alweer…?

Na een maand hield ik het niet meer uit. Ik wist nog een duurder krot te bemachtigen in een tuinschuurtje. Gelukkig zonder raam. Daar sliep ik als een roos.
Nu weet ik het weer, hij heette Spijker…meneer Spijker.
Sinds die kamer ben ik wel anders gaan kijken naar uitzichten.
Ik groet ze beleefd en ik heet ze van harte welkom.

Vogol

De mens is eigenlijk een soort van vogel,
maar dan wel eentje zonder veren.
Ook fluit hij maar matig,
meestal alleen het mannetje, vaak vanaf een bouwsteiger.
In vliegkunst faalt de vogelmens steevast.

Goed, ik geef toe: de mens heeft inderdaad geen snavel,
maar ik zeg liever: nog niet, de evolutie is nog jong.
Hij loopt wel vief rond te lopen, het lijkt dus meer een loopvogel
die overigens dan weer wel geen ei legt..

Maar goed, afgezien van de voorgaande contra-indicaties
vind ik de mens toch wel degelijk een vogel,
en misschien wel een echtere vogel dan
die rondvliegende gasten die wel alle kenmerken
van het vogelschap bezitten.

Nou, zoek het allemaal ook maar uit,
ik ga weer naar m’n nest!

De nacht zwart maken

‘Het mooiste zwarte verschijnsel ooit is wat mij betreft de nacht…ze is het mysterie zelf…ik ben met haar getrouwd, al mijn geesteskinderen komen uit haar voort’
F.Wildesheim

De zwarte kat, de zwarte rat, de kraai, de raaf, worden van oudsher in een kwaad daglicht gesteld. Zwarte insecten worden als ongedierte gezien. Een akelige en domme term, ongedierte. Alsof deze dieren geen bestaansrecht zouden hebben. Ons menselijk bestaan is ecologisch compleet afhankelijk van insecten.
Dieren zijn sowieso de zwarte schapen van de evolutie. In het christendom is het heel vanzelfsprekend om op dieren neer te kijken. Een schuldcultuur gedijt goed op zondebokken.

Het is geen toeval dat deze dieren in de geschiedenis zijn zwartgemaakt en vervolgd. Het zwarte wordt geassocieerd met zwarte magie, het kwaad, de duivel met zijn zwarte ziel, de pest…de zwarte dood, de zwarte weduwe..doodt haar ‘geliefde’.
Mensen zijn bange dieren, bang voor het onbekende donker, bang voor schaduwen op de muur, bang voor de heks, bang voor spinnen, bang voor de dood, bang voor de duivel, bang voor het zwarte schaap. Angst is een prehistorische traditie, een diep ingesleten gewoonte om het zwarte zwart te maken.

Met een zwart schaap als zondebok lijkt het witte schaap nog witter, nog onschuldiger.
Je zult maar een gekleurde huid hebben en worden zwartgemaakt door mensen die geen innerlijk onderscheidingsvermogen ontwikkeld hebben en hun angsten op jouw buitenkant projecteren. Hoe kun je je tegen zwartmakerij verdedigen?

Het beste wapen tegen discriminatie is discriminatie, onderscheidingsvermogen.
Discriminatie in de beste zin van het woord, waardevrij doorzien.
Onderscheid dat je angsten hebt, maar dat je geen angst bent.
Dan hoeft niemand zich wit te wassen door het donkere zwart te maken.

De mysterieuze nacht wordt vandaag de dag met kunstlicht bestreden, zo heftig
dat de sterrenhemel in stedelijk gebied bijna niet meer te bewonderen is.
Alsof het mysterie met licht vernietigd moet worden.

De fabel van Babel


Verdwaald in de taal van Babel.
Er is geen toren…Babel is de taal zelf.
Vandaag is stilte het scharnier waarmee de deur van taal zich opent.
Spreek het wachtwoord, en treed denkbeeldig binnen.

Het gebouw van Babeltaal bestaat uit louter openslaande deuren…
elke muur, vloer of plafond binnen de taalcel blijkt een deur te kunnen zijn…
de vloer waarop je denkt te staan is een deur naar….
het plafond waar je onder denkt te schuilen opent zich als deur
naar de aangrenzende lettercellen.
Wie de deuren open laat staan verdwaalt in de gedachtengangen.
Links, rechts, boven , onder, voor en achter verliezen hun betekenis.

Blijf in deze ene cel, het dondert niet welke….en verteer dit ene woord tot stilte
in het stervende woord openbaart zich de uitgang…echter…
eenmaal denkbeeldig ontsnapt aan het denkbeeldige
blijkt dat alles binnen is…er is geen buitenheid.
Overal zingt het zonder woorden…alles komt zomaar binnen…zonder zich eerst netjes voor te stellen…zonder aan te kloppen…met de deur in huis…

‘Het onvoorstelbare is nogal onbeleefd en niet opgevoed’.

F. Wildesheim. Uit ‘Onzintuiglijke waannemingen’.

Datsja

Pjotr Iljitsj zat bijna tegen de houtkachel aan, in de ingesneeuwde datsja van zijn net overleden moeder. Sinds haar overlijden had hij de kachel tot allesbrander bevorderd.
Hout was niet meer voorhanden in deze te lange winter. Pjotr Iljitsj stookte alles wat maar branden kon, zelfs boeken en foto’s om een beetje warm te blijven. Een datsja betekende voor de meeste Russen een extra buitenhuisje naast hun woning in de stad. Voor Pjotr Iljitsj was dit het enige huis dat hij ooit gekend had. Zijn wieg stond nog altijd in de kamer, die diende nu als aardappel en uienopslag.
Nooit had hij dit ouderlijk huis verlaten. Zijn vader, een kozak, sneuvelde bij het eten van de verkeerde paddestoel. De paddestoel leek precies op die lekkere eetbare…
Helaas had Pjotr hem nooit gekend.
Tot haar laatste adem had hij zijn moedertje verzorgd.
Hun laatste spaargeld was aan wodka op gegaan, als verdoving tegen de pijn. Goedkoper dan een dokter.
‘Gospodi wodka….wodka Gospodi!’, had ze geijld in haar laatste nachten.
Haar longen verzamelden steeds minder lucht…tot de lucht op was.
De grond was meters diep bevroren, een begrafenis zat er niet in. Pjotr had zijn dierbare moedertje Ludmila in de schuur opgebaard op de werktafel, waar het vroor. Stijf lag ze daar als een broodmagere Baboesjka.
De meeste stoelen waren al opgestookt, nu stookte hij de deuren van de voorraadkast.
Gelukkig was het een goed aardappeljaar geweest en de zinken emmer reuzel zat ook nog goed vol. Met de buur Janoekovitsj kon hij piepers ruilen tegen een bloemenvaas met wodka. Zo hield hij zich warm onder de wodka en onder een heuse berg van paardendekens en gevulde strozakken.
Niemand wist nog van Ludmila’s overlijden, zelfs aan Janoekovitsj had hij niets gemeld.
Terwijl Pjotr door zijn moeders papieren bladerde alvorens ze te verbranden voor wat warmte ontdekte hij een driedubbelgevouwen envelop met een medaillon waarin een foto van een jongetje dat hij meende te kennen…er stond alleen een andere naam in gegraveerd…hij schrok van de naam…Romanov…Die naam stond als vloek te boek sinds de grote revolutie.
Het was zijn geboortejaar en de voorletters klopten… Pjotr ging terstond weifelen of hij het was op die foto. Er trok een huivering door zijn verkleumde lijf…een golf van warmte… heel zijn lichaam bloosde van ongeloof.
Zou Ludmilla in de chaos en tumult van de revolutie zich over het vogelvrije kind hebben ontfermd, dat anders het geweld niet had overleefd als nazaat van het kwaad?
Het was te laat om het haar te vragen.
Wonderlijk genoeg had Pjotr het nog steeds warm, hij gloeide na van die ongelooflijke mogelijkheid.
Buur Janoekovitsj had hem uitgelachen toen hij zijn vermoeden uitsprak.
‘Wat verbeeld jij je wel…dat je van adel zou zijn, je weet toch wel hoe het met die lui is afgelopen?’.
Hij stopte zijn tirade pas toen Pjotr Iljitsj hem zwijgend het medaillon toonde.
‘Laat ze er maar niet achter komen, Pjotr Iljitsj…ik zal zwijgen als een graf!’, beloofde
de trouwe buur, ‘heb je trouwens nog aardappelen over?’
De volgende ochtend hoorde Pjotr Iljitsj Romanov het smeltwater van het dak lopen als aankondiging van een nieuwe lente.

Niet beoefenen


Je kunt het met niets vergelijken: de kunst van het niet vergelijken.
Het heeft veel weg van achterwege laten van…
Verder kun je er weinig over zeggen zonder tot vergelijkingen te komen.
Zelfs het vergelijken met niets is misleidend.
Waarom zou je de kunst van het niet vergelijken beoefenen?
Het niet beoefenen is de kunst, beoefening zou weer een vergelijken zijn.

F. Wildesheim

(Photo: still uit documentaire Visages Villages)

Gemeente

In de provinciestad H. aan de Hoofdstraat 46 stond Henk Merk om vijf over acht zijn tweede boterham met hagelslag te smeren aan het aanrecht. Het was een doordeweekse dag in de maand september. Henk had het nieuwe pak pure hagelslag net aangebroken en schoot een beetje uit bij het strooien.
Doordeweeks ontbeet Henk met hagelslag, dagelijkse kost, in het weekend at hij vaak een eitje met zout, maar soms ook gewoon iets heel anders. Om 8.20 uur fietste hij naar zijn werk in de buurt. Geen vuiltje aan de lucht zoals gewoonlijk. Op het gemeente kantoor van de woningbouwvereniging vond Henk het een prettige sfeer. Bij de koffieatomaat stond Wouterse van personeelszaken.
Er kwam goede koffie uit het apparaat. Henk had zich er hard voor gemaakt dat er na jaren behelpen met filterkoffie nu een professioneel koffieapparaat werd gehuurd waar
de bewoners ook gebruik van konden maken, tegen een kleine vergoeding.
‘Tegen kostprijs!’, had Henk geopperd, ‘de gemeente hoeft er niet rijk van te worden,
maar het kweekt veel goede wil!’ Niemand had daar van terug gehad.
Wouterse had geen tijd voor een praatje en wilde meteen aan het werk.
Henk besloot zijn goede voorbeeld te volgen en liep alle lopende zaken nog eens na en ondertekende wat vergunningen voor zover dat kon. Om half elf was hij klaar en ging uit gewoonte even bij Wieger langs. Wieger zat echter niet op zijn werkplek. Na enige navraag bleek Wieger buitendienst te hebben, inspectie van de uitgegeven bouwvergunningen en algemeen onderhoud groenvoorzieningen.
Hij zou rond enen terug zijn volgens gemeentesecretaris Sybren.
Dat klopte aardig want vijf voor één reed de gemeentetaxi voor waar Wieger monter uitstapte. Hij was duidelijk in zijn nopjes met de gang van zaken.
Henk had de tussentijd in de postkamer doorgebracht.
Wieger vernam dat Henk naar hem gezocht had en liep meteen door naar de postkamer en inderdaad, daar zat Henk gedachtenloos te bladeren in de poststukken.
‘Hoe gaat het meneer Merk?’ , vroeg Wieger spontaan.
‘Z’n gangetje!’ ,antwoordde Henk.
‘Mooi zo, dan liggen we op schema!’
‘Wat wonen we toch in een fijne gemeente, Wieger’.
‘Zeker, de klachtencommissie heeft al jaren geen klacht mogen ontvangen’.
‘Fantastisch toch Henk… net als de ideëenbus, die is ook al jaren leeg!’
‘Iedereen is kennelijk tevreden…weinig of geen sterfgevallen ook dit laatste jaar…’
‘Ook zo bijzonder dat het inwoneraantal zo gelijk blijft’, constateerden ze instemmend.
Daarna dronken ze een kopje koffie uit het nieuwe apparaat, zonder melk…de koffie smaakte precies sterk genoeg.
Het jubileumjaar naderde gestaag. Buiten kantooruren zouden ze dat tot in de puntjes regelen zodat het een fijn feest zou worden.

Oriëntatiekunde

Bodran was conciërge op de universiteit. Ze hadden hem als invalkracht gevraagd nadat hij met zijn zoveelste studierichting gestopt was. De ‘echte’ conciërge was overspannen naar huis gegaan en nooit meer terug gekomen. Bodje kwam nooit aan de balie. Hij wenkte altijd vanuit één van de versleten chesterfields in het ‘inlichtingenhok’. Daar kon je worden ingelicht door Bodran Lindeman.
Bod hield het niet zo nauw met de huisregels, maar alles leek vanzelf te gaan. Niet in de laatste plaats omdat Bod alles door de vingers zag, hij rekende alles goed.
Hij sloot officiëel het gebouw af, terwijl er nog studenten aanwezig waren of bleven overnachten. De sleutel lag in de bus. Wie binnen was had de sleutel.
Bij zijn aantreden had Bod twintig sleutels bij laten maken, die nu in omloop waren.
Bodran had gestudeerd…Studiegeschiedenis zo noemde hij zijn hoofdvak…of studiewetenschap.
Zo’n beetje van alles had hij achter de rug: niet westerse antropologie, wel-westerse filosofie, organisatiekunde, vergelijkende theologie, oriëntatiekunde, theaterwetenschappen, kunstgeschiedenis…en een blauwe maandag kunstacademie, daar werd hij afgeschopt omdat hij te onconceptueel was.
Wie zijn hok binnenkwam voor inlichtingen vertrok meestal met de inspiratie om de studie te staken. Bodran wist te overtuigen als ervaringsdeskundige.
‘Het is nooit te vroeg om het verkeerde pad te verlaten’, zei hij opgewekt.
‘Falen in wat je niet wezenlijk boeit geeft je een enorme energie’.
‘Maar jij dan Bodran, wat heb jij dan gedaan?’, vroeg je dan.
‘…wat heb ik eigenlijk niet gedaan…maar ik ben ermee gestopt…nooit spijt van gehad!’
‘Maar zonder diploma, wat kun je dan?’
‘Leef maar zonder vergunning, zegt mijn Joegoslavische moeder altijd…en die leeft al tachtig jaar zonder vergunning’
Bodje was voor velen een inspiratie om zinloze studies te staken of over te stappen naar iets anders. Onbedoeld functioneerde hij als mentor. Het hok werd steeds voller omdat de oud-studenten bleven langskomen om in de chesterfields thee te drinken. Het keek soms wel een college studiegeschiedenis.
Door bezuinigingen werd de conciërge uit de universiteit weggeautomatiseerd.
Inlichtingen stonden voortaan op internet.
Ik kwam Bodran weer eens tegen toen ik dakloos werd. Hij gaf nu leiding aan een daklozenopvang. In zijn kantoortje stonden dezelfde chesterfields…uit het hok meegenomen.
‘Hoe bevalt het hier, Bodje?’ ,vroeg ik hem.
‘Heel goed, het is hier wat relaxter…maar leuk dat je even langskomt…wat ben je uiteindelijk geworden?’
‘Dakloos’, zei ik hem, ‘zonder vergunning’.
‘Mooi zo, welkom, ik ook…zonder daklozenopvang stond ik nu ook op straat!’

‘Het universum is volmaakt’, mijmerde hij boven zijn thee, ‘..er zou alleen een goede conciërge bij de ingang moeten zitten’

Hemelsbreed


Er is een absolute afstand tussen A en B, die heet hemelsbreed.
(op zich al relatief want bestaat er één absoluut middelpunt van A of B?)
Objectief gemeten is hemelsbreed de enige juiste afstand.
Subjectieve ervaring kent ontelbaar meer afstanden tussen A en B.
De grap is dat al die subjectieve afstanden net zo juist of onjuist zijn als die éne objectief juiste. Het laat de pathologische gekte zien van de objectieve benadering om zichzelf als de enig juiste benadering te zien. Meten is weten dat je gek bent.

Van A naar B met de trein vraagt een totaal andere route.
Met de auto wordt de route en de afstand weer anders.
Op de fiets, te voet, kruipend, te paard, per kameel, op de rug van een draak, een duikboot, zwemmend, op de step, met de helikopter, vliegtuig, luchtballon…
Het levert even zovele routes en afstanden op. Reken daarbij de variabele reissnelheden en de pauzes…pech onderweg…vermenigvuldig dit met de belevingssnelheden en de belevingsafstanden, (het equivalent van de ‘gevoelskoude’) en er blijken evenzovele afstanden als mensen te zijn.

Ook degene die van A naar B vertrekt en daar nooit aankomt in B heeft voor hem of haar de juiste route te pakken. Zelfs degene die nooit vertrekt zit goed.
Het absolute is relatief in de objectieve gedaante van meten is weten en het relatieve is absoluut in haar veelvormige rijkdom van beleving.
Het hele begrip ‘juist’ verliest haar betekenis wanneer elke weg juist is.

Photo: Yves Klein