Auteur: openbaargeheim.
Plataanbast
Het gebeurt altijd terloops, onbedoeld. Wanneer je nergens op bedacht bent.
Onder het douchen of onder het spitten in de modder, verstijfd lopend in de ijswind terwijl je overal van afziet, in de zomerse schaduw van een plataan onder het staren naar de bast. Het overkomt je gaandeweg terwijl je stil de mogelijkheden overweegt zonder tot een slotsom te komen. Soms lijkt het wel of het slotsomloze als een magneet werkt. Je zit ongericht te niksen oog in oog met niets in het bijzonder en dat voelt dan aan als een zaak van het grootste gewicht en belang, hoewel het overduidelijk niets weegt en nergens toe dient.
Het bestaan bokst dingen voor elkaar in je afwezigheid…je voelt je een lichtgewicht, lichter dan een zweefvlieg. De triomf om overwonnen te worden door het leven is onverklaarbaar glorieus. Glashelder ontwaar je geen enkele zin en beleeft zich juist daarin de diepste betekenis, in de zin van heel.
Je rijdt de versnellingsbak in de prak, het geluid van een keukenmixer in een schaal met radertjes overspoelt je als de golf van Hokusai. Niet de minste paniek…een hemelse serene rust neemt bezit van je, als een onverdiende gratie. Euforie bezoekt je onuitgenodigd, zonder aankondiging. Er valt niets over mede te delen, dat leidt maar tot misverstanden. Je buurvrouw steekt, met al haar boodschappen die ze blijft dragen, een tirade af tegen de hectiek, en alle dwangneuroses van het moderne leven:
’Je wordt als mens toch totaal geleefd meneer…zo is het toch, niet dan soms?’
‘Zo is het buurvrouw, u zegt het…je weet niet wat je meemaakt’.
Vers van het Veld
Bezem
‘Met wat….?’ ,vroeg meester Tandeloos aan Vaal Veulen die de binnenplaats aan het vegen was.
‘Met wat veegt deze oude bezem al haar uitgevallen borstelharen bijéén?’ ,de oude wees naar zijn hoofd.
Vaal Veulen keek naar de kale schedel van Tandeloos die glansde in het zonlicht.
‘Zo kaal als de maan’ ,was de eerste gedachte die opkwam…daarna kwam er niets op van betekenis…
‘Bezems vegen wat vuil is schoon, maar wat nu…als de bezem zelf het vuil is?’
,begon Tandeloos.
‘Lost de bezem dan op, in het overbodige?’
‘Wat valt er nog te vegen, zonder gedachten?’ ,mompelde Tandeloos verder.
‘Wat valt er nog te denken’ ,zei Vaal Veulen, ‘als gedachten zijn uitvallen als borstelharen?’
‘Zit de grote oceaan soms te wachten op een regenbuitje?’ ,vroeg Tandeloos met een raadselachtig lachje.
Tandeloos voelde met open handpalmen of er druppels vielen.
Vaal Veulen zaagde de resten van de bezem tot brandhout,
voor een vreugdevuurtje.
Na een tijdje viel er geen regen, de zee was kennelijk geheel voldaan.
Tandeloos sprokkelde wat bamboetwijgen bij elkaar voor een nieuwe bezem.
‘Dat wordt wel een heel klein bezempje!’ ,merkte Veulen op.
‘Het is ook voor heel klein vuil!’ ,lachte Tandeloos.
‘
Manege
Naar aanleiding van de vuilspuiterij van de heer Wildesheim over het uitgeversvak
van donderdag jongstleden wil ik toch enige zaken rechtzetten, om te beginnen:
Ik ben zeer trots op ons fonds, louter paradepaardjes.
‘Mijn Lippizaner Hengsten’ noem ik ze, binnenskamers. De werkpaarden zelf zijn
daar niet zo van gecharmeerd en charme is toch het hoofdgerecht waarmee ik
ze mijn stal in heb weten te lokken. Nu eten ze uit mijn hand. Handtam zijn ze.
Men wil niet weten hoeveel moeite dat gekost heeft om al die verschillende temperamenten bij elkaar te krijgen…en te houden.
Zonder mijn dressuur en toezicht zouden ze elkaar zo het ziekenhuis intrappen, want er is veel haat en afgunst binnen de menagerie van de literatuur. De merries trappen iets minder, maar kunnen weer lelijk bijten, menig schrijver loopt met lelijke littekens te koop, hetgeen weer doorleefde literatuur oplevert.
Om ze tam te houden moeten ze regelmatig worden bereden, dat is mijn stokpaardje, anders verwilderen ze waar je bij staat en gaan ze kuren vertonen en dingen schrijven die niet in het fonds passen.
Uiteraard ontsnapt er wel eens ééntje naar het open veld, die dan vervolgens het oude nest met vrachtladingen mest bevuilt. Het afgedwaalde dier bijt dan in de hand die hem voedt en groot heeft gemaakt, pijnlijk en reputatieschade voor het fonds.
Zorgen dat er niet nog meer ontsnappen is dan mijn hoofdzorg, voor hun eigen bestwil.
Ik weet toch als geen ander dat ze buiten in het vrije veld nooit zouden overleven, maar
paarden die geen bit wensen te dragen krijgen het hoog in de bol.
De zorg voor mijn ‘levende have’ gaat zo ver dat ik mij ook ernstig om hun uiterlijk bekommer, om het plaatje compleet te maken. Samen met mijn vrouw geef ik uitgekiende kledingadviezen en mediatraining. We sturen ze naar onze eigen coiffeur als dat bij de afgesproken schrijfstijl past.
Anderen sturen wij juist niet naar de kapper, die zien er weer veel beter uit in een staat van ‘zorgvuldige verwaarlozing, zodat het lijkt alsof ze nog heel puur zijn zoals een echt wild paard betaamt. Dat is natuurlijk allemaal spel, maar desalniettemin van doorslaggevend belang, marketingtechnisch dan. Alles verkoopt op beeldvorming en denkbeeldvorming.
Ik hoop dat ik hiermee een reëler beeld van het uitgeversvak heb neergezet.
Wat meer dankbaarheid ten aanzien van de uitgevers zou de heer Wildesheim niet misstaan. Je mag een gegeven uitgever best in de bek kijken, maar hij is natuurlijk geen paard, echter een onmisbaar gegeven in de wereld van het boek.
Met dank aan de redactie van O.G. die ons de gelegenheid boodt om een eerlijk en evenwichtiger beeld te schetsen.
Hoogachtend, Garmt Wolbreght ,namens de woordvoerder van de NVVU.
Binnenvaart
Kleine Reus is dood.
Z’n ouwe baas, ‘Ouwe Reus’ ,voormalig binnenvaartschipper, licht het heengaan toe.
Onder het licht van een halogeenlantaarnpaal steekt hij van wal:
“Ja, zonde hè?…nee dat zeggik, twas een lekker beesie hoor, een schat van een dier, deed nooit geen vlieg kwaad…en opeens loop ik hem uit te laten, valtie zo om in het gras, tot twee keer toe…noujazeg ik dacht dat ga niet goed…
nou toen issie onder de scan gegaan en blijktie twee zo veel te groot hart te hebben, ik zeg nog tegen die dierarts , hij heb anders nog nooit op een racefiets gezeten, ja je moeter maar om lachen, ik bedoelmaar, weetje….hij heb een mooi leven gehad ja toch, hij is lekker ingeslapen, koppie in me hand, heel zacchies hoor, nee hoor, is toch mooi geweest zeker?’ Was op tweede paasdag, we hoefde niks te betalen, vond ik wel jofel!”
“We hebben hem in een urn gedaan, ja ik zegnog tegen me vrouw, wel die deksel der goed op doen hoor want hij was nogal waaks.”
‘Wat heb je er nu voor ééntje, een beagle?’ ,vraag ik.
‘Is de hond vamme dochter….ja hij trek wel als de pest, ik mottum wel aan de lijn houwe hoor wantie ouwe reus gater zo vandoor!’
‘Hoe heettie ook al weer?’ ,vraagt mijn man naar de voor mij bekende weg.
‘Flippie of was het Flappie?’, informeer ik.
‘Nee joh, hij heet eh…verrekseg laat ik er nou effe niet op kenne komen, hoe heettie nou…ook alweer….das toch ook sterk hè?…Flappie? Floppy?….nou zeg!’
‘Floep?’ , Flap ik eruit.
‘Nee, Flip heettie, ja toch….Flip, ja natuurlijk Flippie, ja, ik wist het wel!’
‘Ach, toch Flippie!’ ,zeg ik verbaasd.
‘Ja, maar hij luistert toch voor geen meter hoor… ken het hem soms wat schele hoe die heet…maar hij is wel een lekker dier….hij is trouwens een teefje…nee, dat zeggik!’
Prozaïsch
Gisteren was het weer zover, zit het net lekker te schrijven komt er ‘smorgens iemand aan de deur die zich uitgeeft als zijnde redacteur van een of andere gerenommeerde uitgeverij.
Hij begon meteen met zijn vertrouwde smeekbede…of hij nu…als het mij bliefde
mijn nieuwe roman zou mogen uitgeven….of een dunne novelle zou ook al mooi zijn….
Of had ik anders niet nog een mapje met jeugdzondepoëzie liggen?
Hij gaf hoog op van mijn werk, hij hield naar zijn zeggen van betekenisliteratuur of zei hij bekentenisproza?
Maar goed, er zijn zoveel van die bevlogen uitgevers, soms lijkt het wel of er meer uitgevers zijn dan schrijvers…wat natuurlijk onmogelijk is. Ik moest hem dus teleurstellen, omdat het gewoon ongestoord verder wilde schrijven. Hij was nog niet vertrokken of er belde alweer….nu een literair agent, aan. Deze zag eruit als modieuze fat en wilde zijn boekenfonds graag met mijn oeuvre verrijken en uitbreiden. Ongevraagd begon hij vragen te stellen:
‘Heeft u niet toevallig nog een onvoltooid manuscript in de la liggen….dat is een nieuwe literaire trend…boeken met een onbedoeld open einde!’
‘Wat zijn trouwens de plannen voor uw nieuwe roman?’
‘Had u wel eens gedacht om een roman te wijden aan …bv de toekomst van de nostalgie…ja, ik noem maar wat? ,zei hij met weemoedige blik.
Het zijn meestal zelf gemankeerde schrijvers die zich in deze Proza-industrie storten.
Lukt schrijven niet dan willen ze debuteren als uitgever.
Eerst liet je ze nog wel eens binnen, puur uit nieuwsgierigheid, wellicht materiaal voor een nieuw verhaal. Maar al gauw begonnen ze over slaapverwekkende percentages, marketingstrategie, oplages, voorschotten, commissiegeld, doelgroepen, ‘de slapende lezersschare’ , ‘de dood van de roman’ … prozaïsch gewauwel.
De boekenvakman is er op uit zoveel mogelijk bestsellerschrijvers te boeken. Hoge verkoopcijfers zijn, net als in ieder ander marktsegment, een synoniem voor kwaliteit geworden. Menig broodschrijver kocht zijn eigen eerste oplage integraal op om dit surrogaat van kwaliteit te suggereren.
De boekenvakmannen doen alsof ze jou een gunst komen verlenen, maar het zijn natuurlijk letterkundige parasieten die geestelijke jeuk veroorzaken, waardoor je nooit meer aan schrijven toe komt.
Het is uiteraard heerlijk om door je uitgever op handen te worden gedragen, al is het uit geldelijk gewin, maar is het niet nog heerlijker daar niet afhankelijk van te zijn en zelf je weg te wandelen?
Tot besluit dit, wellicht ten overvloede maar:
Dit onzichtbare oeuvre is al gepubliceerd, het is al publiek, openbaar. Dat is het grote mysterie van Openbaar Geheim. Beschikbaar voor een uitgelezen publiek. Wie het kan volgen leest het en begrijpt het en raakt er daarom waarschijnlijk op uitgekeken. Wie het allemaal niet zo goed kan volgen begrijpt dat iets niet begrepen wordt en zal stoppen om het onnavolgbare te volgen. Niets mooiers dan een uitgelezen publiek
dat het leven zelf hoger acht dan erover te lezen.
Lees gerust hierin mijn credo:
‘Leef liever zelf deze ons doordringende, ons omringende levende roman, dan deze dode tekst te lezen!’
F. Wildesheim
Eigen aard
Ik heb er altijd al eens over willen schrijven. Omdat ik dacht dat het niet mogelijk was
werd het voortgeschoven op de lange baan. Het grappige van die lange baan is dat
ze oneindig is en toch overzichtelijk. De langste baan is namelijk: morgen of straks.
Op het eerste oog zou je niet zeggen dat straks oneindig is, straks reist altijd voor je uit als een blinde verkenner….maar ik dwaal af van waarvan ik niet weet waar het over gaat…waar was ik ook al weer gebleven?
Voor je het weet zit je nu te schrijven…wanneer anders!
Zodra iets onmogelijk lijkt trekt dat de aandacht. Een eigen aardig soort afwijking.
Het zijn echter wel de afwijkingen die evolutie veroorzaken, die aan de bron van de zee van mogelijkheden staan….of liggen, dat weet ik eigenlijk niet, misschien drijven ze wel op die zee. Ik beschrijf ze in ieder geval graag omdat het ook voor mij zo’n verrassing is wat er nu weer door die lege poort ter wereld word gebracht.
Je zou kunnen zeggen dat het onmogelijke een soort van poort is. Een open geboortekanaal voor nog ongekende verschijningsvormen. Mijn taak hierbij zie ik als die van vroedvrouw. Het geesteskind moet zo gaaf mogelijk worden afgeleverd.
Eventuele mankementen moeten gezien worden als bijzondere eigenschappen en
dan hebben we het natuurlijk niet over taalfouten of interpunctie.
Eigenaardigheden maken dat iets herkend kan worden. Het raadsel ‘stijl’ is niets anders dan eigenaardig zijn.
Eigen aard is goud waard…..of eigenlijk onbetaalbaar, want met geen goud te koop.
In deze zin is onvermogen de belangrijkste vormgever, zij geeft de ‘finishing touch’.
Onvermogen is de hoogst haalbare perfectie. Absolute perfectie zou het einde zijn van evolutie. De poort zou geblokkeerd zijn.
Wat nu eigenlijk het onderwerp is van dit stukje is mij wederom een raadsel, maar ik ben benieuwd wat het mij gaat vertellen als ik het lees.
De kleinste afwijking en het grootste mankement zijn het authentieke kenmerk van uniciteit van elke levensvorm. Behoed ons voor gereproduceerde gekloonde perfectie.
F. Wildesheim
Setsebun
Op Setsebun
dooft mijn vriend
Tokyo Joe uit
zijn laatste sigaret
legt hij aan de voet
van Fuji
als offerande
nooit meer
zal hij roken als
de berg ook stopt
ze stemt in gezien
haar rooksignaal
bij dageraad
of is het
een mistflard
in de geest?
Tojo denkt
aan hoe ooit
zijn gerook begon
om het magma
van binnen
te bedwingen
zal hij nu
lava spuwen?
vruchtbare grond
ontginnen?
Osho Ozamaki: uit ‘Meester van het Manke Vers’ FutonPress 2016
*Setsebun is een Shinto-ceremonie , ( bonenstrooifeest)
Rijgedrag
Ik sloot achteraan in de rij. De rij stond helemaal buiten het gebouw.
Langzaam schuifelde de rij het gebouw binnen als een tong die in een mond verdween.
Wij zouden niet verdwijnen. Eenmaal binnen het gebouw moesten we ons een voor een melden bij de baliemedewerker om te constateren dat we aanwezig waren en dat wij het waren en niet iemand anders. Een man werd weggestuurd; hij mocht niet binnen.
Hij protesteerde hevig: ‘Nee, ik ben niet iemand anders, ik heet alleen net zo en wat kan ik eraan doen dat hij sprekend op mij lijkt?’. De baliemedewerker drukte op de rode knop onder de balie. Even later kwamen twee beveiligsambtenaren hem ophalen.
Was onze identiteit vastgesteld en waren wij fysiek aanwezig dan mochten wij hoogstpersoonlijk onze beurt afwachten tot we plaats konden nemen in de wachtkamer. De wachtkamer was een enorme ruimte, als een sporthal.
Daar kregen we een nummertje dat onze rechtmatige beurt bepaalde.
Wat mij meteen opviel was dat mensen nummertjes met elkaar ruilden.
Na drie dagen stond mijn volgnummer boven de toegangsdeur van de ontvangstruimte.
In de ontvangstruimte stonden mijn voorgangers in carré’s van tien opgesteld.
Mijn vragende blik werd door mijn begeleider beantwoord: ‘Ze oefenen….’
, zei hij met een veelbetekenende blik.
‘Maar wat dan?’ ,probeer ik nog.
De begeleider had mij mijn plaats al toegewezen en hield zijn wijsvinger voor zijn lippen.
Hier stonden we dan …te staan.
Een enkeling protesteerde…begon te morren…en werd uiteindelijk schreeuwend tussen twee begeleiders afgevoerd.
‘Wat gebeurt er met hen’ ,fluisterde ik tegen mijn buurman?’
‘Niets, ze moeten weer achteraan de rij aansluiten!’
Ik voelde mijn hartslag overslaan…het werd even zwart voor mijn ogen.
‘Waarom deden we dit eigenlijk?’ ,dreunde het in mijn hoofd.
‘Wie of wat dwong ons om dit te ondergaan?’
Na twee en een halve dag werden we lukraak geselecteerd om
de ruimte te verlaten, ik was één van de gelukkigen.
Een begeleider leidde mij naar de lange gang.
Die moest ik doorlopen. Aan het eind zou ik een brevet krijgen.
‘Een brevet waarvoor?’ , vroeg het zich af in mijn hoofd.
Alsof de begeleider de gedachte had gelezen antwoordde hij:
‘Het Brevet voor Bovenmenselijk geduld, je mag je dan ‘Engel van het Legioen van Geduld’ noemen.
Dit werd mij teveel, er knapte iets…de hersenpan kookte over…mijn lichaam begon wild
om zich heen te slaan. Gelukkig boden de begeleiders bescherming, ze hielden mij liefdevol in bedwang. Even later stond ik weer in de rij…achteraan aangesloten.

