Waanschijnlijk

De portretschilder verweet zijn model dat ze niet op zijn schilderij leek,
dat ze niet stil zat, geen geduld had…’Zoek maar een andere schilder!’.

De gids van het gebied legde tijdens de rondleiding uit dat dit meer hier niet hoorde te liggen omdat het niet op de kaart stond en dat de dennen oorspronkelijk helemaal niet thuishoorden in dit soort van landschap.

De taalkundige oordeelde dat het woord niet bestond omdat het niet in het woordenboek voor kwam, dat het woord in deze streek gemeengoed was kon hem niet vermurwen.

De historicus concludeerde dat de ooggetuige wel gelogen moest hebben omdat het verhaal heel anders in de geschiedenisboeken terecht was gekomen, het zou een compleet ander licht op de historie werpen.

De generaal verklaarde op televisie dat de vijand bijna verslagen was en dat ze als laffe honden op de vlucht waren geslagen…even later werd hij gearresteerd door vijandelijke commandotroepen.

De politicus zei, ‘Het kan natuurlijk niet zo zijn dat er gebeurd is wat er is gebeurd…..en dat moeten we toch eigenlijk niet willen met z’n allen, met de kennis van nu’.
De bewindsman lag permanent overhoop met de wereld die zich kennelijk maar niet wilde aanpassen aan zijn wereldbeeld.

De weerman keek naar buiten en zag dat het weer daar niet klopte met zijn voorspelling.

Handwerk


Buurman John werkt bij de groenvoorziening.
Van veger schopte hij het tot bladblazer en daarna zat hij jaren op de grasmaaier.
Nadat hij een paar keer het ecologisch bloemenlint per ongeluk had platgemaaid moest hij van de maaier afstappen. Nu rijdt hij naar grote tevredenheid de veegwagen, een soort megastofzuiger met roterende stalen borstels die de stoeptegels met geweld afragt…de littekens blijven maanden zichtbaar.
In het weekend gebruikt hij hem als auto van de zaak. Dan rijdt hij met zijn kinderen naar de Italiaanse ijssalon in het aangrenzende stadsdeel. De stofzuiger staat dan uiteraard uit en de borstels zijn in opgetrokken toestand, het is weekend…de auto van de zaak hoeft dan niet te werken. John ziet er raar uit als hij in zijn zondagse kleren in de veegwagen zit. Normaal draagt hij zijn fluoriserende werktenue met bijpassende helm en oordoppen.
Voor zijn kinderen schakelt hij speciaal de zwaailichten aan, het is altijd feestelijk om een ijsje te halen. Onderweg bieden ze tegen elkaar op welk ijsje ze gaan bestellen…drie bolletjes is de maximum toegestane hoeveelheid.
John moet streng zijn… ‘Met slagroom pap?’.
Hij had ook op kantoor kunnen gaan werken, maar dat kan hij zijn kinderen toch niet aandoen, zegt hij. Hij houdt meer van het echte handwerk. Ambachtelijk ijs.

Schaduw

Vaal Veulen was door meester Tandeloos er op uit gestuurd om zijn schaduw
te vinden, te vangen en laten zien als bewijs van zijn bestaan.

De jongen was verbijsterd door de onverwachte opdracht…hoe vang je een schaduw?

‘Neem wel een goede lamp mee als je gaat zoeken’ ,had Tandeloos hem nog terloops aangeraden.

Overal waar Vaal Veulen zijn schaduw meende te zien lukte het niet om hem op te pakken en als bewijs te verzamelen. Waar hij ook scheen met zijn lamp leken er schaduwen te ontstaan, maar ze verbleekten onmiddellijk in het zicht van de lamp. De schaduwen schenen sneller dan het licht, ongrijpbaar. Met lege handen keerde hij s‘middags bij Tandeloos terug.

‘Ik had je net zo goed naar een gedachte kunnen laten zoeken, want gedachten werken net als schaduwschijn’ ,lichtte Tandeloos toe, ‘gedachten lijken net als schaduwen te verschijnen en ze lijken nog sneller dan het licht te verdwijnen, hun niet-bestaan is sneller dan wat dan ook’.

Vaal Veulen keek naar de ruimte tussen zijn vingers.

‘Pas als je ze langdurig belicht zie je dat ze slechts schijnbaar bestaan’.

‘Met welk licht schijnen we dan op onze gedachten?’ ,vroeg Vaal Veulen met de uitdovende lamp in zijn handen.

‘Met zichtlicht?’ ,vroeg Tandeloos terwijl hij zijn ogen sloot.
‘Het licht is uit’ ,merkte de jongen op.

‘Maar het zicht niet’ ,zei Tandeloos, ‘het duister weet zich gezien’

Varende metafoor


Sommige metaforen varen.
Ooit werden er schepen gebouwd en ‘Dankbaarheid’ genoemd,
waarschijnlijk uit dankbaarheid…aan wat dan ook.
Dankbaar voor…wat al niet?
Dankbaar voor welvaart?
Dankbaarheid als een drijvende kracht,
ze sleepte de mens eeuwen voort en er doorheen.

Werd de mens een verwende ondankbare hond,
die alle dankbaarheid liet varen…
die meende recht te hebben op…
die dacht het wel alleen te kunnen, zonder baas?

Nu het water tot aan de lippen komt is er het
ruimtevaartplan als vluchtroute bedacht,
een noodsprong in het duister, gepresenteerd als visie.

Het zinkend schip verlaten voor een luchtkasteel.
Waarom ook nog eens een buitenaardse hel stichten?

Kunnen we het schip Dankbaarheid opkalefateren,
en weer zeewaardig maken als drijvende kracht?
Laat dankbaarheid ons beter vroeg dan laat de baas zijn.
De aarde is onvervangbaar, ons enige leefbare ruimteschip,
vol gevaar voor eigen leven.

Luxe vuilnis


Één zomervakantie bracht je door in Valkenburg, in het jaar van de eerste maanlanding. ‘A giant step for mankind’ zo heette de onderneming, megalomaan.
Onze tent stond boven op de heuvel. De zomer scoorde een recordhitte.
Het stadje lag beneden in het dal. Een broeiend nest van krioelende toeristen.
De hitte verveelde mij…ik zocht een speeltje. Midden in het centrum was een etalage van een speelgoedwinkel. De felle kleuren van het speelgoed trok mijn aandacht.
Het was een surrealistische uitstalling in die etalage omdat bij nadere inspectie al het plastic speeltuig was gesmolten in de felle zon, vervormde autootjes, bootjes, vliegtuigjes, misvormde poppen. Al wat hard leek was vloeibaar geworden.
Deze onbedoelde expositie van vergankelijkheid had een beslissende invloed op mij.
Vanaf die ervaring kon ik geen luxe artikelen meer zien zonder het besef dat dit
onmisbare voorwerpen waren op die legendarische almaar groeiende vuilnisbelt.
Warenhuis de Bijenkorf was in mijn ogen niet meer dan een zeer goed geordende vuilnisstortplaats, weliswaar zorgvuldig geselecteerd, maar niettemin vuilnis.
Vooral plastic dingen wekten mijn afkeer en minachting. Goedkope vervuiling.
Mensen die hoog opgaven van de verdiensten van de petrochemische industrie omdat die zulke fijne plastic producten en welvaart had opgeleverd, die mensen hadden vast zelf plastic hersenen. Ik leefde dagelijks in de adembenemende stank van het Botlekgebied. Plastic is inmiddels ‘A giant threath for mankind’ gebleken.

In Valkenburg kocht ik dus geen speelgoed. Wel sneed ik op de heuvel een houten speer met een vlijmscherpe punt versierd met uitsnijdingen in de bast met potlood ingekleurd. Bij wijze van initiatierite gooide ik deze meteen raak…midden in mijn scheenbeen waarin hij bleef staan. Ik huilde niet, daar was ik indiaan genoeg voor.
Ik had wel voor hetere vuren gestaan. Ook deze ervaring openbaarde mij inzicht:
De jager is zijn eigen prooi. Wie dat inziet kan meteen korte metten maken met het zogenaamde moderne jachtige leven.
De maanlanding zelf maakte mij ook iets duidelijk. Uit de beelden van het ruimtestation bleek onze dierbare maan een ijskoude pokdalige zwevende steen te zijn.
Hoe prachtig was dan onze aarde niet, bezaaid met talloze levensvormen?
Welke idioot ging zijn heil zoeken op die dode kale maan? Dat was net zoiets als met je duikersuitrusting naar de Sahara vertrekken…

Onbedoelde initiaties zijn altijd de beste, eenmalige ervaringen die een blijvend inzicht schenken. Daar kan geen onderwijsprogramma tegenop.
Dagdromend op de hete Limburgse heuvel landde ik op de zon.
Ik stapte uit mijn raket in een plas van metaal en werd warm ontvangen
in het eeuwige licht van de kernfusie.

Kleine verten

Meester Tandeloos liep steeds kleinere afstanden, dat was Vaal Veulen opgevallen.
‘U loopt steeds moeizamer meester’ ,merkte hij schoorvoetend op.
‘Welnee jonge jongen’ ,zei Tandeloos, ‘het loopt gewoon wat korter en krachtiger’
‘Maar meester, u loopt vandaag zelfs achteruit de heuvel op!’
‘Dat klopt wel…achteruit kom ik beter vooruit…en bovendien zie ik de wereld dan steeds kleiner worden…als je altijd maar vooruit loopt worden de dingen groter…’
‘Als u maar niet valt’ ,zei Vaal Veulen bezorgd.

‘Geen zorgen jonge jongen, deze heuvel kent mij door en door, het pad voelt mijn voetzolen al zoveel jaren…’

Vaal Veulen keek met verwondering en bewondering naar de oude vastberaden stappen achteruit van Tandeloos.
Boven op de heuveltop gingen ze samen op in het uitzicht.
‘Hoe vaak heeft u dit al gezien meester?’

‘Nu voor het eerst…’ ,fluisterde Tandeloos turend in de steeds kleiner wordende verten rondom.

‘Hoe groter het zicht, hoe kleiner de dingen’ ,merkte de jongen op.

‘Weet je wat zo mooi is, hier op deze heuvel is niemand aanwezig’

‘Niemand aanwezig?’ ,herhaalde de jongen.

‘Weet je, Vaal Veulen… vanaf nu noem ik je ‘Niemand Aanwezig’ ,kom, gaan we achteruit de heuvel af!’

‘Maar zo heet ik niet’ ,riep Veulen.

‘Ik heet ook geen Tandeloos, maar dat weet toch niemand…
ken trouwens nog iemand die Vaal Veulen genoemd wordt?’

Veulen dacht even na: ‘Nee, niemand!’

‘Zie je wel, Niemand Aanwezig!’ ,schaterde Tandeloos.

Dun huidje

Per Jens Nilfisk, telg uit het roemrijke stofzuigergeslacht zou worden onterfd wanneer hij als enige zoon zou weigeren om zijn vader op te volgen in het bedrijf.
Het zou heel wat stof doen opwaaien binnen de familie als hij niet zou bezwijken onder de druk. Het was een nare familieclan. Er hing een pesterige sfeer op het landgoed waar de kinderen geacht werden te blijven wonen, ook wanneer ze volwassen werden.
Het leek wel of het treitergedrag in de genen werd doorgegeven.
De ingehuurde familiepsycholoog zag dat anders…als aangeleerd gedrag.
Na zes sessies met de familie werd de therapeut zelf weggepest. Met één gemeenschappelijke vijand vormden ze één massief blok bevroren graniet.
Zodra de hulpverlener was afgedropen begonnen ze elkaar weer onderhuids te sarren, uiteraard met een innemende grijns op hun gezicht, wellevende aggressie.
Als jongste telg had Per Jens er het meeste last van. Zijn zusters hadden tenminste elkaar nog om te pesten.
Uit onmacht begon Per in het geheim sabotage te plegen, door ongekookte aardappels diep in de uitlaat van de directeurs-Bentley te proppen, favoriete kledingstukken in de waterput te dumpen. Of de sloten van het landgoed met secondenlijm vol te spuiten, lijmterreur…
Toen de jonge saboteur op heterdaad werd betrapt door de butler omdat hij met zijn jongenshandje aan het toegangshek zat vastgekleefd, werd de spijl van het hek losgezaagd waardoor hij dagenlang met die losse tralie in zijn hand door het leven moest, als straf. Vader Nilfisk eiste eerst een bevredigende verklaring voor het wangedrag van Per Jens, daarna zouden ze eventueel naar het ziekenhuis gaan om zijn hand te bevrijden van die tralie.
Per Jens ontsnapte uit zijn kamer door de ruit kapot te slaan. Liftend met zijn staaf vluchtte hij naar de stad. De vrachtwagenchauffeur vroeg hem waarom hij die ijzeren staaf in zijn hand hield. ‘Laat maar los, jongen’ ,had hij gezegd, ‘geef maar aan mij!’
Op de eerstehulpverlening sneed de dienstdoend chirurg zijn hand los van de staaf.
De staaf had nu een dun huidje in de vorm van een handgreep.
Hij werd door de politie thuisgebracht. De erfopvolger moest en zou zijn opleiding voltooien. Regelmatig nam de opgroeiende Per zijn staaf ter hand. Het was de enige houvast om de dreigende onterving te doorstaan.