Het kaalgeborene

scheert Tojo zich zo goed ?
laat hij zijn baard soms niet staan?
of had hij nooit haargroei?

zo kaalgeboren
geen haar op z’n hoofd dacht ooit
aan Bashõ’s kikker

de oude vijver
zit nu vol met donderkopjes
onbehaard geluk

er gloort een toekomst
vol met oeverloos geplons
feest in Bashõ’s geest

Osho Ozamaki uit: ‘Verse Manke Verzen’ , Futonpress 2017

Kleefhanger

In “Wrawotil’s badeend”, de gelijknamige roman van de Fin Jukka Rautapukki
(spreek uit: Joekah Rahoetapoekie)
komt geen enkele badeend voor.
Niet dat dat bezwaarlijk is, in tegendeel.
Het feit dat de badeend in de gehele sleutelroman afwezig is kan het boek zelfs zeer ten goede zijn gekomen. Dit laatste kan echter alleen met zekerheid worden vastgesteld wanneer er een versie zou zijn waar wel degelijk de onderhavige badeend een cruciale rol speelt in het verhaal. Nu schijnt die versie er wel degelijk te zijn geweest, namelijk de eerste versie waar Rautapukki tot vervelens toe uitweidde over de badeend van hoofdpersoon Wrawotil.
Deze versie heeft alleen de auteur zelf gelezen. Bij lezing onderkende Rautapukki dat de badeend een dusdanige ‘Darling’ was dat hij die wel om zeep moest helpen om het boek nog te redden. Het woord badeend kwam er wel 148 keer in voor!
Een massagraf van badeenden was het gevolg. Rautapukki schrapte ze wijselijk allemaal…behalve in de titel. Jukka dacht dat het een goede kleefhanger zou zijn om de focus van de lezer meteen op de badeend te vestigen die vervolgens nergens meer teugkomt.
Wat zou er in hemelsnaam aan de hand zijn met die badeend? Zelf na het uitlezen blijft de lezer achter met een ondoorgrondelijk raadsel…waarom heet dit boek in godsnaam zo??? De eend blijft dus effectievelijk goed kleven, hij beklijft onmiddellijk.
Waar het boek echt over gaat valt met geen pen te beschrijven. Waarom ‘Wrawotil’s badeend’ een bestseller werd is moeilijk te achterhalen, maar dat de badeend daar een beslissende rol in heeft gespeeld kunnen we ter nauwernood uitsluiten. Rautapukki bracht het boek uit als zijnde zijn tweede roman. Men wacht nu schoorvoetend op zijn debuutroman, geen sinecure voor een inmiddels gevestigde naam.

Vijver

We zouden hem vandaag gaan bekijken bij de taxidermist, onze Koi, maar we gingen niet. We wisten niet dat je zoveel van een vis kon gaan houden. Koi, onze lievelingsvis.

In de tuin van ons nieuwe huis bleek een grote vijver te liggen. We hadden ons nooit een vijver gewenst, maar soms blijkt het ongewenste een groot geschenk. De vijver had ons steeds leeg en doods aangestaard. Tot mijn vrouw op een ochtend zei:
‘We nemen een vis, dat zal de vijver goed doen, anders ligt die daar maar te liggen!’
Ik had nooit iets met vissen gehad, maar ik gunde de vijver ook wel een pleziertje.
Dezelfde dag hebben we ons in een tuincentrum gewillig een karpertje laten aansmeren.
Ik vond het veel geld, vijfenzeventig euro voor een jong visje.
‘Geen geld voor een echte Koi!’, vond de verkoper, ‘Hij wordt vanzelf groter en nog meer waard!’.
Met het gecertificeerde visje, wat waterplanten en een emmertje krachtvoer gingen we huiswaarts.
Onze vijver was er zichtbaar blij mee, een levende ziel bracht haar stilstaande water in beroering. Binnen twee dagen hadden we een warme band met de kleine koudbloedige Koi.
Hij at zomaar uit onze hand en zoog op onze vingers. Koi ontroerde ons meteen met zijn indringend blije blik, en dat blinde vertrouwen, waar baseerde hij dat op?
Vlees aten al bijna niet meer, maar nu verdween spontaan ook vis van ons menu. Koi werd steeds groter en mooier, oranje gevlekt met zilveren schubben en hele mooie natte ogen. Vanuit huis hoorden we hem plonzen.
Koi herkende mijn gefluit, zwom direct naar de kant om mij te begroeten met zijn stille gapende mond. Hij vlijde zich tegen mijn handpalm aan om mij te voelen. Bij mijn vrouw legde hij zijn kop in haar hand, ze keek mij aan met vochtige ogen.
We raakten gehecht aan de tedere aanrakingen van Koi.
Als een dierbare vriend, zo voelde hij.
Karpers kunnen oud worden, onze Koi overleed twee dagen geleden. We waren ontredderd.

Het vreemde is alleen: hij is niet weg.
In de donkere vijver van de slaap komt Koi ons tegemoetzwemmen. Ons bestaan draait nu om de vijver van de nacht. We leven daar kennelijk onder water…of Koi zwemt door de lucht?
Ik probeer zijn mondbewegingen te liplezen
en ik meen hem werkelijk te verstaan. Mijn vrouw heeft dezelfde nachtelijke ervaring.
‘Wat zei hij tegen jou vannacht?’, vraagt ze meteen aan het ontbijt…’
Koi zei:” wij vissen zwemmen niet, vergis je niet, wij laten ons strelen door het ons omringende water…het leeft ons…zelfs van binnen kietelt het onze ingewanden, water is het bloed van moeder aarde…!’
‘Wat had hij jou vannacht en te vertellen?’
‘Koi zei, “Volg mij, kom in een volgende leven
toch als karper terug…Niets liever wil ik dan jullie deelgenoot maken van dit goddelijke watergeluk”. Opeens dreef hij vredig op z’n rug…als een juweel mooier dan ooit.
“Kom erin, kom erin, vertrouw mij blind!”,
dit is de boodschap van onze Koi die blijft resoneren als echo van zijn bestaan.
In de lege vijver zien we de sterrenhemel lichtjes rimpelen.
De taxidermist hebben we maar afgebeld met de mededeling dat het niet meer hoeft, dat Koi nog leeft…in ons.
Hij begreep er niets van, wie wel?

Senryu

‘kijk nu eens mama!’
ik kneep mijn billen samen
‘wat een karakter!’             Kiku Hiroshi

 

Kiku is samoerai
tenminste dat speelt hij knap
zo vroeg zindelijk.             Osho Ozamaki

 

Osho prikt papier
eet sushi met zijn handen
met stokjes lukt het niet         Tojo

 

 

Osho Ozamaki uit: ‘Meer Manke Verzen’ Futonpress 2017

(Senryu is de volkse variant van de haiku)

Vracht

Vòòr de jonge jongen bij meester Tandeloos arriveerde wilde hij gaan reizen. Op de dag van zijn vertrek kwam hij ‘de Oude’ tegen op de markt waar een vrachtwagen zou vertrekken, waarheen?…. naar ver weg van zijn geboortedorp.

‘Waar ga je naartoe?’, vroeg Tandeloos die hem wel van gezicht kende, een van de vele kinderen in het dorpje die ‘Jong Veulen’ werd genoemd.

‘Ik trek de wereld in, om mijn plaats in de wereld te zoeken’, had de jongen weifelend geantwoord wachtend met een zak vol bagage.

‘Hoe weet je waar je op je plek bent…misschien is je plek wel hier?’, vroeg Tandeloos zich af, ‘maar wie weg moet kan niet blijven’.

‘Bent u dan nooit op reis geweest meester Tandeloos?’, vroeg de jongen.

‘Zeker wel, Jong Veulen, vanaf mijn geboorte ben ik onderweg geweest. Mijn leven zelf is de reis.’

‘Waar ging u dan naartoe?’

‘Nergens naartoe, ik ging op reis naar binnen.
Naar het innige midden…het land dat achter je gesloten oogleden oplicht’

‘Wat voor land is dat dan?’, vroeg Veulen nieuwsgierig.

‘Het is een land zonder bodem…waar geen mensen wonen…het licht alleen maar op’, lichtte de Oude toe.

‘Wie of wat woont daar dan…zo zonder bodem, zei u?’ De jongen wilde de oude niet beledigen, maar moest erom lachen.

‘Ach , hoe moet ik het zeggen…niemand in het bijzonder’ , zei Tandeloos zacht mee lachend, ‘oorspronkelijke natuur woont daar, zij die alles en iedereen bezielt’

‘Is dat ver reizen, naar het midden van dat binnen-land?’

‘Welnee, het binnen land kent geen enkele afstand… het is het meest dichtbije…en juist dat maakt het zo schijnbaar moeilijk bereikbaar’

‘Schijnbaar ?’ vroeg Veulen ongelovig.

‘Inderdaad , schijnbaar schijnt het grootste obstakel voor de mens te zijn…het lijkt alleen maar zo…maar toch!’ , verklaarde Tandeloos.

‘Maar…wat zo lijkt is het niet!’, vatte Veulen samen.

‘Zo is het, dat heb je goed gezien jonge jongen!’

‘Wat een wonderlijk vreemd land moet dat zijn!’

‘In tegendeel binnen-land is het meest vertrouwde, het meest natuurlijke.
Als je het eenmaal weet te liggen ben je er nooit weggeweest. De reis naar binnen is een thuisreis. Een reis zonder bagage, binnen is er oneindige ruimte, maar geen plaats voor bagage.

‘Ik ben al eens aan de overkant van de grote rivier geweest, daar was de wereld al heel anders, met andere mensen die anders spraken, ik verstond ze niet’, herinnerde Veulen zich hardop.

‘In het binnen-land is geen taal nodig, alle woorden schieten te kort voor het onuitsprekelijke, alles wordt anders, gezien vanuit het binnen-land, anders dan je ooit kunt bedenken’, De ‘Oude’ krabde onder zijn voet.

‘Ik twijfel nu aan mijn wereldreis’, zei Veulen turend naar de horizon.

‘Ontdek het binnen-land en de hele wereld reist door je heen!’ , verklaarde Tandeloos met z’n ogen dicht en zijn oude handen op z’n hart.

De vrachtwagen waar Veulen mee zou vertrekken stond inmiddels klaar. De vracht was opgeladen, nu Veulen nog.
Tandeloos stond aan de kant en zwaaide de vrachtwagen uit. Toen ze uit zicht waren keerde ‘de Oude’ terug, naar binnen.

Potloodstompje

Ik liep nogal doelloos voor mijn doen door de stad te dwalen op zoek naar levend materiaal voor een goed verhaal. Als een vermoeide duif streek ik neer op een bankje in het stadsplantsoen. Het bankje was net nieuw geplaats en zag er onwennig uit in de verder verweerde omgeving. Het was herfst, de kale bomen boden mij kostenloos een troosteloze aanblik. Naast mij bleek een man te zitten in een vale regenjas. Ik had hem niet eens opgemerkt, z’n onopvallend uiterlijk bleek zeer geschikt als camouflage. De futloze houding verried een flegmatieke vermoeidheid die hij opsierde met een weemoedige glimlach. Het magere gezicht toonde een landschap van rimpels en groeven, grijzig van tint. Zou deze verschijning mij vandaag nog aan een goed verhaal kunnen helpen?, dacht ik moedeloos.
Voor ik er erg in had stelde mijn mond de vraag waar ik mij vooraf al voor diende te schamen, al vond ik het zelf:
‘Is u een zwerver, meneer?’
Onmiddellijk begon de man opgetogen en verward in zijn jaszakken te zoeken…tot hij een potloodstompje wist op te diepen samen met een beduimeld notitieboekje.
‘Wat was de vraag?’ vroeg hij nu met een onverwacht alerte blik in de treurige ogen…
‘Of dat ik een zwerver is?’, herhaalde hij mijn pijnlijk genante vraag.
Mijn hoofd knikte gelaten, er was geen ontkomen aan.
‘Schrijft u soms boeken?’, probeerde mijn mond opnieuw om eerste vraag te maskeren.
‘Nee hoor…ik schrijf stukkies…voor de krant,
niks bijzonders hoor!’, voegde hij er bescheiden aan toe. Om te voorkomen dat ik zou denken dat hij een hoge dunk van zichzelf zou hebben. Toch bracht zijn antwoord mij van m’n stuk. Die vent was net als ik op zoek naar een goed verhaal, werkte
nota bene ook voor de krant.
Omdat ik wilde weten voor welk ‘provinciaals sufferdje’ hij dan wel schreef vroeg mij mond
ongevraagd naar de bekende weg. Wat had die mond van mij vandaag?
‘Voor welke courant schrijft u, als ik vragen mag?’
‘Voor het Parool!’, repliceerde hij onmiddellijk.
…Er trok een heel trage bliksemschicht door mijn lijf. Dit kon niet! Hij werkte voor dezelfde krant, dan moest ik hem toch kennen..ik speurde mijn geheugen af…wie was dit?
De man was inmiddels uitgenoteerd en maakte aanstalten om te vertrekken.
Ik wilde nog zeggen: ‘Kan ik u iets te drinken aanbieden?’, maar mijn mond liet het dit keer afweten.
De verkreukelde gestalte bewoog zich rommelig uit mijn gezichtsveld. Even verderop keek hij nog om en zwaaide met zijn aktentasje, alsof hij mij nog bedankte, waarvoor?
Bij gebrek aan beter materiaal schreef ik dit verhaal en besloot om te stoppen met schrijven. Mijn mond belde de krant op om mijn ontslag aan te bieden, maar mijn mond zei weer iets anders, zoals gewoonlijk.