Stokje

Je was nog toerist in opleiding. Eerste vakantie in het Ahrdal. Na de eerste bergwandeling werd je ingewijd met een ritueel voorwerp, het Wandelstokje.
Je probeerde opgetogen te kijken. Als kind probeerde je dat, de volwassenen te troosten, steeds als ze je ergens een plezier mee dachten te doen. Tot je besloot dat volwassenen hopeloze gevallen waren, ‘de ontroostbaren’.
Terug naar het Wandelstokje. Je rende als een locomotief de berg op en af, wachtend op voortzwoegende ouders. Wat moest jij met zo’n stokje?
De bedoeling werd pas duidelijk toen je aangemoedigd werd om beneden in het dal een metalen embleempje uit te kiezen van de zojuist bedwongen berg. Dat werd dan op het Wandelstokje gespijkerd net als een Jezus aan het kruis. Als bewijs dat jij die berg
had veroverd.
Met ontzag keek je naar de stokken van oude mannen die helemaal ondergespijkerd waren met onderscheidingen, memorabilia.
Zij hadden de wereld al veroverd.
Je neefje had ook een wandelstok met heel veel bergplaatjes uit heel Europa… van zijn oom gehad, erfgoed.
Je besloot terplekke om niet de concurrentie aan te gaan met de verzamelaars van wapenfeiten.
Jouw eigen mooie wandelstokje verdween in een ravijn.
‘Had je er maar beter voor moeten zorgen’

Terwijl ze je dit inwreven werd de ironie in jouw geboren. Het stokje dat jou moest ondersteunen om niet te vallen, dat stokje had jij doelbewust laten vallen. Je had geen zin om steun te geven aan dat wandelstokje .
Ironie geeft meer steun dan een wandelstokje, ironie ondergraaft alle denkbare wapenfeiten.
Ook de toerist in jou lag voorgoed in het ravijn.

Speldeknopje

Het hagedisje kroop uit de haag kruislings over het levenspad.
Ik zag het niet, alleen zijn schamele schaduw.
Mijn hart voelde zich betrapt door het speldeknopoogje in het reptielenhoofdje.
Betrapt op het bijna vertrappen van mijn prehistorische voorouder.In de zon bevroor zijn scharende gang om zijn koude bloed te warmen. Zo kort of lang als mijn eigen vingerkootje, dun als een muizenpootje. Ik boog mijn hoofd en zag de zon in het speldeknopje glanzen.

Nu schuil ik met hem onder een stille steen.
‘Doe maar of je thuis bent hoor!’
Of ik iets te eten of te drinken wil?
‘Misschien een muggenlarfje…een miereneitje en wat dauwdruppeltjes toe?’
‘Maak het je makkelijk, ik ga even wat lenen bij de buren’

Nadat ik de versnaperingen op had. dankte ik de hagedis.
Waarop mijn gastheer mij rustig corrigeerde: ‘ik ben een salamander!’

Vermist

Sinds gisterenavond wordt Ruimte vermist. Dat heeft voor lichte paniek gezorgd onder de gebeurtenissen en de dingen. Ze weten niet meer waar ze plaats kunnen vinden!?
Ruimte is het laatst gezien in gezelschap van Stilte. Ze had opvallend weinig aan. Ruimte heeft nooit veel om het lijf. Ze luistert ook naar geen enkele naam. Hoe hard je ook: Ruimte roept, ze zal geen krimp geven, eerder uitdijen.

Momenteel wordt Stilte aan een kruisverhoor onderworpen, tot nog toe vergeefs. Ze pretendeert van niets te weten.
Het stel had een werkafspraak over samenwerking inzake het beschikbare heden en het geven van gelegenheid aan.. wat dan ook.
De opsporingsinstantie sloeg aan op de term ‘wat dan ook’.
‘Dat kan dus alles geweest zijn’, wreef de inspecteur haar in.
Stilte had het met een vanzelfsprekendheid bevestigd:
‘Ja, natuurlijk…Alles…dat schept onze bestaansreden…beschikbaar zijn voor alles en gelegenheid bieden’
De rechercheur was perplex en geagiteerd.
‘Nog één keer! ‘siste hij’ ,waar heeft u Ruimte het laatst gezien, waar ging zij heen en wat voor plannen had ze?’

‘Eerlijk gezegd heb ik ruimte nog nooit gezien in alle tijdloosheid dat ik haar ken’, verklaarde Stilte, ‘afwezigheid is namelijk haar verschijningsvorm!… en waar zou ze naartoe kunnen?…de enige plaats is ruimte zelf, nietwaar, waarschijnlijk zit ze ergens in een gat!’, speculeerde Stilte.
Stilte maakte verder gebruik haar zwijgrecht, en keek daarbij alsof het haar glashelder was.
‘Ik hoor u niet!’, zuchtte de getergde ondervrager die geen grip op haar kreeg.
Hij moest haar vrijlaten .
Ze wordt geschaduwd. Inderdaad, door Donkere Nacht, wie anders?
De duistere gluiperd luistert haar permanent af.
Stilte heeft niets te verbergen en dat doet ze dan ook op geniale wijze.
(Onder ons gezwegen: Ruimte schuilt simpel weg aan gene zijde van Stilte.)

Is dat niet prachtig? Daar zoekt niemand!
Een openbaar geheim.

Te leen

Wat heb jij voor boek geleend?

Een boek van B van S… Ja, ik moet zeggen: Het is geen vrolijk boek hoor!

Ha, dat is grappig, geen vrolijk boek en dat zeg je lachend.

Ja, ik voelde hoe mijn gezicht betrok, toen ik je wilde vertellen waar het over gaat.

Ik zag het gebeuren, er gleed even een serieuze frons over je zomerse gezicht.

Terwijl ik de flaptekst in de bibliotheek las twijfelde ik er al aan of het wel zou gaan lezen.

En toch heb je hem meegenomen?

Ja, ik dacht ach…het is maar te leen, het kost niets om hem niet te lezen.

Dus dit boek komt alleen maar even logeren?

Ja, zo is het echte leven toch ook. We komen maar even logeren in het leven voor we weer worden ingenomen in de vaste collectie.

Zo is het. En hopelijk kunnen we de uitleentermijn verlengen.

Dat zou mooi zijn…maar wie zou ons nou lezen?

De meeste boeken staan ongelezen in de kast, daarom kun je het beste lid zijn van de bibliotheek.

Wat heb jij eigenlijk uitgezocht?

Een boek over: ‘De wereldliteratuur die u gelezen moet hebben’
Een compilatie van samenvattingen.

Rotonde

Ik belde aan bij de hoofdpersoon van wat dit verhaal had moeten worden. Hij was niet thuis…of hij gaf niet thuis. Een schrijver staat machteloos in dergelijke gevallen.
Ondanks onze schriftelijke afspraak moest ik het dus opeens zonder hoofdpersoon stellen. Dat schrijft niet lekker weg. Een hoofdpersoon is toch een soort rotonde waar alle verhaallijnen zich in verenigen, waarna het verhaal weer een andere afslag kan nemen.
Gelukkig was de lokatie voor het verhaal wel beschikbaar. Alleen het weer zat niet mee, het moest en zou plenzen van de regen in mijn nieuwe verhaal.
Het weerbericht had degelijke wolkbreuken beloofd , maar die bleven uit. Moest ik dan maar een droog verhaal schrijven…zonder neerslag van betekenis… zonder hoofdpersoon? Alle research vooraf zou dan voor niets zijn geweest!
Het verhaal moest wel voor morgen af zijn.
Ik besloot maar te gaan schrijven, iets totaal anders dan wat ik van plan was. Om een sfeer neer te zetten beschreef ik de droge omgeving, een soort woestijn zonder vegetatie, heel erg vlak zonder bergen. Ik had altijd al opgezien tegen het beschrijven van bergen. Bergen moesten fysiek voelbaar zijn in het verhaal, als een massieve aanwezigheid. Daar was een omhaal van woorden voor nodig. Als ik ergens de pest aan heb : het omhalen van woorden.

Het werd dus een landschap waar je je nauwelijks in kon verbergen. De hitte zinderde en gaf luchtspiegelingen, een trillende horizon rondom. Mijn rondwarende oog vond geen enkele houvast. Het licht begon mij te verblinden. Wat een rotverhaal werd dit.
Je perceptie werd feitelijk uitgehongerd door dit voorwereldse decor. Er viel niets af te kluiven voor de zintuigen.Het aantal ‘dingen’ was tot een minimum beperkt.
Nu ik de omgeving van het verhaal tussen mijn toegeknepen wimpers door verkende ontwaarde ik even verderop een uitgebleekt skelet…
Meteen wist ik dat het mijn hoofdpersoon was. Begrijpelijk dat hij vanochtend niet thuis was.
U begrijpt dat ik het niet ook nog ga laten regenen, dat zou het verhaal ongeloofwaardig maken.

Brug

Er belde een man met hoed bij mij aan. Hij sprak formeel: ‘Wijkonderzoek gemeentedienst Demografie, mag ik even uw legitimatie zien of u het wel echt bent?’
Ik was verrast door zijn absurde vraag, maar zag er geen kwaad in om hem mijn papieren te tonen. Geduldig wachtte hij buiten terwijl ik uit het laatje mijn bestaansbewijzen opsnorde. ‘Of u het wel echt bent!!’ ,dreunde nog na in mijn hoofd.
De man ontving gretig mijn papieren en bestudeerde mijn gegevens aandachtig.
Terwijl hij mijn kaartjes stevig in handen hield zei hij op een rustige brutale toon:
‘Hoe kwam u op het idee om mijn plaats in dit huis in te nemen en zich als mijn dubbelganger mijn bezit toe te eigenen?’
Ik was verbijsterd over zijn vastberaden analyse en had op dat moment even geen repliek.
‘Vindt u niet dat u verdacht veel op mij lijkt?’ , vervolgde de man zijn betoog.
Nu pas zette hij zijn hoed af om mij zijn gezicht te tonen.
Ik nam hem nog eens goed in mij op en inderdaad was de gelijkenis treffend.
‘Maar volgens mij lijkt u op mij en niet andersom!’ ,wist ik uit nog te brengen.

Hij keek mij heel link aan. ‘Ik ga hier onmiddellijk werk van maken’ ,zei hij terwijl hij mijn papieren in zijn binnenzak schoof. Met zijn linkerwenkbrauw opgetrokken zette hij zijn hoed weer op salueerde alsof hij zijn missie vastberaden ging voltooien en liep weg.
Omdat ik net gedoucht had en in mijn badjas in de deuropening stond ging ik hem niet meteen achterna.
In een staat van bevroren paniek schoot ik een broek aan en ging de straat op om hem te achterhalen. Als een kip zonder kop rende ik rond en hoorde achter mij geschreeuw: ‘Daar gaat hij…die kerel probeert mijn leven, mijn huis te stelen., grijp hem!’
Ik zag politie van diverse kanten aankomen. Ongewild zette mijn lijf het op een lopen, stom natuurlijk, maar weet een lijf veel.
‘Zie je wel, klonk het, ‘dat is hem…waarom zou hij anders op de vlucht slaan?’
Ik wist ongezien onder de brug te verdwijnen. Boven mij hoorde ik gedempte stemmen.
‘Ze worden toch steeds brutaler…gelukkig heb ik mijn papieren nog!’
‘We zullen de wijk de komende dagen goed surveilleren, wie weet vinden we hem nog… kunt u nog even het signalement geven, dan gaan wij verder.?’
‘Neem maar een foto van mij’ ,zei de man zelfverzekerd, ‘hij leek precies op mij!’
Toen de politie vertrokken was hoorde ik hem nog telefoneren:
‘Ja met mij…je kunt nu komen en het nieuwe slot installeren, je weet het adres!
‘Nee, geen naambordje nodig…die naam is prima, tot zo’

Pas ‘s avonds laat waagde ik het om mijn schuilplek te verlaten. Ik moest en zou naar mijn huis. Bevend stond ik in de heg verscholen. Door een spleet in het gordijn kon ik hem zien zitten, in mijn kamerjas, lezend in mijn lievelingsboek, achter het glas hoorde ik de muziek die mij altijd zo rustig maakte. Ook nu weer werd ik er heel rustig van. Muziek heeft altijd die eigenaardige uitwerking op mij gehad dat het mij verzoent met het onaanvaardbare. Muziek, je zou erin moeten kunnen wonen…
Die nacht droomde ik dat muziek een brug was naar een andere oever.

Kortste verhaal

Hemingway’s kortste verhaal luidde:

For Sale! Baby shoes, never worn!

Stel je dit verhaal even snel voor: wat vertelt het je?

Er wordt heel veel ruimte gelaten aan de interpretatie en toch ligt het er dik bovenop.
Wat maakt de lezer van deze zes woorden?
Grote kans dat het de dramakant op gaat.
Het kind is nooit geboren, vroegtijdig overleden, nooit verwekt.

Wat natuurlijk niet helemaal niet hoeft…:

Het waren heel lelijke schoentjes die al jaren in de etalage stonden, onverkoopbaar,
de enige aanprijzing is nog dat ze nooit gedragen zijn, als nieuw.

De voetjes van de baby waren zo buiten proportie, te groot geboren.

Het waren roze meisjesschoentjes, toen bleek het een jongetje.

We hadden zoveel schoentjes gekregen bij de geboorte dat ze onmogelijk allemaal gedragen konden worden.

Het kind verzette zich tegen elk schoeisel, het trapte alles uit, zelfs sokjes vond het ondraaglijk.

De ouders vonden dat te vroeg schoenen dragen slecht is voor de ontwikkeling van het kindervoetje.

Allemaal plausibele verhalen, maar alleen het drama lijkt Hemingway’s verhaal bestaansrecht te verlenen.

Frekie

Frekie Soethout alias ‘Bijtand’ zat naast mij op school. Hij dankte zijn bijnaam aan het bizarre feit dat zijn tanden niet persé in zijn mond groeiden. Van kinds af kwamen zijn melktandjes al op de meest onverwachte plekken naar boven. Op een rijtje zouden ze nooit komen. Geen beugel die dat zou kunnen reguleren. Zijn echte tanden maakten het later nog bonter door buiten zijn mond te treden. Je gelooft het of niet maar op zijn dertiende verjaardag had Frekie een tand op zijn kin, bovenop zijn hoofd en achter zijn oor een verstandskies. Dat at niet lekker voor een jongen, vond onze huisarts. Tot die tijd had hij vooral vloeibaar voedsel opgeslurpt. Frekie kon geen pap meer zien, hij was het slikken zat, alsof kauwen zo leuk was… Volgens de kauwchirurg zat er niets anders op dan alle uitmondige tanden en kiezen te trekken. Maandag zou hij geholpen worden. Dinsdag verscheen hij onder de pleisters en verband in de klas. Iedereen feliciteerde hem ermee dat hij nu geen tanden meer op zijn hoofd had, nu was hij eindelijk ‘normaal’ geworden, net als wij. Toch had hij iets wat wij niet hadden.
Frekie kreeg een mooi kunstgebitje dat hij op verzoek met trots liet zien. De meisjes griezelden ervan, aan hen liet hij het ongevraagd zien, gillend renden ze voor hem uit. Schaamte was Frekie vreemd. Het gebitje zat meer in zijn broekzak dan in zijn mond, het rammelde als hij hardliep. Dat kauwen ook niet alles is daar kwam hij al gauw achter.
Sommige dingen moet je jong leren anders wen je er niet meer aan, vond onze huisarts.
Na de lagere school verloor ik Frekie uit het oog. Soms vraag ik mij af of hij ooit nog heeft keren kauwen. Hij zou geëmigreerd zijn naar een ver buitenland, dat was het laatste wat ik over hem vernam.

Bergen

Vaal Veulen ging ‘s morgens vroeg nietsvermoedend aan tafel zitten.
Een bleek zonnetje was net over de kim geklommen. Opeens had de Oude de woorden uitgesproken, zomaar uit het niets klonken ze. Tandeloos had opvallend zachtjes gesproken:

‘Dierbaar Veulen, dank je wel voor alles wat we hier samen hebben beleefd, het is nu echter…’

Na deze zin had Veulen niets meer in zich kunnen opnemen…
De jongen had geschrokken naar Tandeloos gestaard.
Het idee dat de oude hem zou verlaten.
Hij wist dat er ooit zoiets zou kunnen gebeuren, maar nu?
Dat hijzelf eens zou vertrekken voelde hij wel aankomen, maar dat die oude Tandeloos zelf verder zou trekken op zijn levensreis…overrompelde hem. Tandeloos zag zijn verwarring en stelde hem gerust met een kopje thee.

‘Waar gaat u dan naartoe?’ ,vroeg Veulen bezorgd met een diepe rimpel tussen zijn wenkbrauwen.

‘Vaal Veulen, de bergen roepen mij, ik mag ze niet langer laten wachten…
mijn leven lang heb ik op hen gewacht, dat zij naar mij toe zouden komen, maar ze hadden altijd gewichtiger zaken te doen…en geloof mij, ik heb ‘mijn oudste vrienden’ vaak uitgenodigd’ ,verklaarde Tandeloos met een verontschuldigende glimlach.

‘Wat gaat u daar dan doen, daar hoog in de bergen?

‘Ik…ga mijzelf verbergen, dat wil zeggen…ik zal helemaal in de bergen opgaan…
Trouwens…je kunt gerust hier blijven als je wilt, ik neem niet veel mee, de bergen voorzien mij van alles wat nog nodig is…dan kun jij hier rustig zoeken en iets moois vinden om in op te gaan!’
De oude keek vredig naar niets in ‘t bijzonder.
Veulen wist niet wat hij moest zeggen…moest hij niet nog iets vragen?

‘Ik ben bang dat ik u nog iets moet vragen voor u vertrekt, maar ik kan nu niet bedenken wat….is er nog iets wat u mij wilt toevertrouwen?’

Tandeloos bleef eindeloos de verste verten afgrazen met zijn bijna blinde blik.
Hij kuchte en slikte even voor hij weer kon spreken.
‘Het lijkt alsof het niets voorstelt, maar het omvat alles…,zei hij schor, …’Niemand in het Bijzonder’ ,je kent hem wel ,hij vertrouwde mij ooit het volgende toe…ik was nog een jonge jongen moet je weten’.

Vaal Veulen wachtte ademloos benieuwd.

‘Waardeer het minste geringste als het hoogst verhevene….
en alles zal zich ontvouwen’

Veulen herhaalde het zinnetje inwendig.
‘Hoe moet ik dat begrijpen?’ ,vroeg Veulen ontgoocheld.

‘Simpelweg, door het dit moment te leven…
wat is het minste geringste? , vroeg Tandeloos.

‘Niets…natuurlijk’ ,zei de jongen in verwondering.

‘Ik vertrek pas over drie dagen, als de maan vol genoeg is om het bergpad te beschijnen’ ,legde de oude jongen uit.

De rimpel die Vaal Veulen tussen zijn wenkbrauwen had was verdwenen.

Miertje

Vaal Veulen zat op de grond een miertje te observeren. Hij wilde het miertje dat met een te groot dennenaaldje aan het ploeteren was helpen.

‘Je kunt het miertje niet helpen’, zei Tandeloos die Veulen bezig zag.

‘Waarom niet, ik kan dit dennenaaldje toch kleiner maken?’

‘Dan moet dat arme dier straks twee keer lopen’ , glimlachte Tandeloos,
‘je kunt het wel doen hoor, maar je weet niet wat ze nodig heeft, dus hoe weet je of ze er echt mee geholpen is?’

‘Ik help haar toch, het is maar een kleine moeite’ ,besloot Veulen.

‘Je hebt gelijk een hele kleine moeite…maar daarna moet ze het volgende dennennaaldje halen, wat doe je dan? Weer helpen?’

‘Waarom moet ze met naaldjes slepen?’

‘Dat weet het miertje misschien zelf ook niet, maar ze doet het wel vol overgave!’

‘Dat vind ik juist zo zielig, ze gaat er helemaal in op, zonder te weten in wat!’

‘Is er iets mooiers dan ergens helemaal in opgaan!’ ,zei Tandeloos verheugd.

‘Zou u dit miertje dan nooit helpen?’

‘Voor je het weet doe jij het mierenwerk en weet het miertje niet meer wat ze met haar leven aan moet…miertjes hebben hun eigen geheime leven, het is een mysterie voor ons, omdat wij nu eenmaal geen mierenlichaam hebben. Door jouw goedbedoelde hulp kan het miertje erg in de war raken. Miertjes kunnen elkaar goed helpen en zichzelf, waarom help je jezelf niet eerst Vale?’

‘Hoe kan ik mijzelf dan helpen?’

‘Misschien door iets te vinden waar je helemaal in op kunt gaan!’

‘Ik kan niets vinden’

‘Niets is ook goed genoeg om in op te gaan’ ,stelde Tandeloos Veulen gerust.

‘Wat heeft u zelf gevonden om helemaal in op te gaan?’

Het oude gezicht begon te stralen van plezier.
‘Het vuurvliegje Veulen, het vuurvliegje leerde mij om te leven vanuit mijn eigen licht!’

‘Haha, een insect als meester, meester Vuurvlieg!’ ,lachte Vaal Veulen.

‘Zeker Veulen’ ,zei Tandeloos genietend, ‘noem mij maar gerust meester Vuurvlieg…het kan elke vorm aannemen…misschien moet je mij maar gauw vergeten Veulen…wellicht is het voor jou een boom of een wolk…een zandblauwtje…een schaduw…een zandkorreltje…een hommel…de wereld is meesterlijk in alle gedaantes!’

Er volgde een lange stilte die ergens op leek te wachten…maar er kwam niets en niemand…